In de Amsterdamse Waterleidingduinen bij Zandvoort kun je heerlijk wandelen, ook buiten de paden. In het afwisselende duingebied met kanalen, bos en open stukken leven zo'n tweeduizend damherten. De kans dat je de dieren in het wild ziet is dan ook groot. En dan bedoelen we ook écht heel groot!

1. Damhert

2. Staartmees

3. Winterkoning

4. Roodborst

5. Vos

6. Sijs

7.Knobbelzwaan

8. Kuifeend

9. Krakeend

10. Wintertaling

11. Kneu

12. Tureluur

13. Boomkruiper

14. Grote bonte specht

15. Blauwe reiger

Ingang Oase
in Vogelenzang

Eerste Leijweg 2

1. (11 oktober 2020)'...Damhert:  Waarschijnlijk is dit voor veel mensen het meest bekende hert, het damhert. Ze worden vanwege hun 'bambi uiterlijk' veel gehouden in parkjes en bij kinderboerderijen. Maar in Nederland komen ze op diverse plekken ook in het wild voor. Bijvoorbeeld op de Veluwe, Schouwen-Duiveland en de duinen van Kennemerland. Het damhert behoort tot de familie Herten. De mannetjes dragen een gewei dat elk jaar wordt afgeworpen en vervolgens opnieuw weer aangroeit. Elk jaar groeit het iets groter. Maar bij bejaarde dieren zal het gewei juist weer kleiner worden. Aan het einde van de zomer als het gewei volgroeid is wordt de bast afgeschuurd en is het gewei gevoelloos. Het damhert gebruikt zijn gewei niet om te vechten maar om mee te imponeren. Een mannetje bij de hertenfamilie heet hert of bok (ree), een vrouwtje hinde of geit (ree). Damherten komen in verschillende kleuren voor. De meest voorkomende kleur is bruin met witte vlekjes, maar ook effen donkerbruin en zwart en hele lichte kleuren komen voor. De geweistangen van een damhert kunnen wel 50 cm lang worden. Het gewei is deels afgeplat, anders dan bij het edelhert die juist een gewei hebben met omhoog wijzende takken. De hinden zijn kleiner dan de herten en hebben geen gewei. Verder zijn de hinden een stuk kleiner en lichter dan de herten. Het damhert leeft in een roedel. Een roedel kan soms wel uit 80 dieren bestaan. Na de paartijd leven de mannetjes apart van de vrouwtjes met hun jongen. Het damhert is een planteneter. Ze grazen in open gebieden, maar eten ook van bomen. Door op de achterpoten te gaan staan kunnen ze daar makkelijk bij. Het damhert is een herkauwer. Een groot deel van de dag besteden ze hieraan, net als bijvoorbeeld bij koeien. De paartijd van de damherten heet bronsttijd. De bronsttijd begint halverwege oktober en duurt tot begin november. Voordat de bronsttijd begint gaan de mannetje een strijd leveren om een territorium te bemachtigen. Als het territorium bepaald is wordt het door het mannetje gemarkeerd. Hij doet dit door met zijn kop langs boompjes te schuren en zo zijn geur af te geven. Ook maakt hij met zijn poten plekken in de grond die hij markeert met urine. Hierna kan het burlen beginnen. Het burlen is een soort lokroep waarmee hij de vrouwtjes in zijn territorium lokt. Hierna kan hij gaan paren met meerdere vrouwtjes. Na het paren verlaten de hinden het territorium. De draagtijd bij damherten is 7 maanden. De kalfjes worden geboren in juni of juli, ze blijven ongeveer 12 weken zogen bij de moeder. 

2. (4 december 2020): Staartmezen zijn sociale vogels die buiten het broedgebied altijd in groepjes leven. Zij hebben lichte onderdelen en witte kop met brede zwarte zijkruinstrepen die samenkomen op de donkere rug. Opvallend donkere maar vooral lange staart (langer dan het lijf). De aanzet van de vleugels is roodbruin van kleur. Regelmatig worden in Nederland witkopstaartmezen waargenomen uit Scandinavië en Oost-Europa. Een volwassen staartmees heeft een totale lengte van 13 tot 16 centimeter, inclusief de lange, smalle staart van 6 tot 10 centimeter. De vleugelspanwijdte is 16 tot 19 centimeter, wat relatief klein is voor een zangvogel. 

Staartmezen plukken graag insecten en rupsen uit struiken en bomen. Als lichtgewichten zijn ze in staat om hun voedsel op te sporen, terwijl ze ondersteboven hangen aan een twijgje. In de winter vullen staartmezen hun dieet aan met zaden. 

De staartmees komt voor in bossen, tuinen en parken. Een structuurrijk leefgebied heeft de voorkeur, met een rijke ondergroei en enkele dode of afstervende bomen. Ook houtkanten, struweel en hoogopgaand struikgewas zijn ideaal. De staartmees houdt van een goede mix tussen open en meer gesloten plekken.

Het nest van de staartmees is een waar pareltje: een koepelvormig kunstwerk (met zij-ingang) waar tot wel 4.000 schilfertjes korstmos in verwerkt zijn. Ook spinrag en berkenbast dienen als bouwmateriaal. De binnenkant van het nest is bekleed met wol, mos en veertjes. Een nest duurt wel 2 tot 3 weken om te bouwen. Beide ouders helpen mee. 
Eenmaal de jongen geboren zijn, kunnen ouderpaartjes vaak op hulp rekenen van naburige staartmezen. Helpers zijn staartmezen wier broedsel mislukt is - ze stammen steeds af van het mannetje dat wel succesvol wist te broeden. Een nest kan zo tot 8 helpers hebben, die de kans op overleven aanzienlijk verhogen.

3. (4 december 2020) ...winterkoning: Een van de meest algemene broedvogels van Nederland. Als er voldoende dekking is, dan bouwt de winterkoning zijn nest. Bijzonder kleine vogel, met de bekende opgerichte staart en luide zang. Is ondanks zijn naam niet bestand tegen koude winters. Karakteristiek is de opstaande staart. Verder klein, bruin en met lichte wenkbrauwstreep. De winterkoning vliegt met snelle vleugelslagen laag boven de grond van struik naar struik. Komt nerveus over met een steeds opwippende staart. Heeft een kleine spitse snavel en fijne pootjes.

De winterkoning is allerminst dol op de winter, deze vogel kan juist slecht tegen de kou. Speciale nestkasten kunnen de winterkoning helpen tijdens de winter: hij gebruikt ze als schuil- en overwinteringsplek. Wist je dat de winterkoning, zo klein als hij is (pakweg 10 gram) enorm veel geluid kan produceren? Een winterkoning is typisch een vogel die je vaker hoort dan dat je hem ziet.

Alleen om te zingen bevindt een winterkoning zich op meer dan twee meter hoogte. En berg je dan maar, want zo klein als hij is (nog geen tien centimeter), des te groter is zijn ‘scheur’. Met zijn schetterende zang produceert hij tot maar liefst 90 decibel, daarmee evenaart hij de geluidssterkte van menig popfestival. Op een halve kilometer afstand is hij nog te horen. In de broedtijd zingt hij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Het mannetje zet zo werkelijk alles in het werk om zijn vrouwtje te imponeren.

Zijn naam doet anders vermoeden, maar het winterkoninkje kan slecht tegen kou. Als standvogel, die het hele jaar in dezelfde omgeving verblijft, is dat een probleem. Om ook bij strenge vorst een lichaamstemperatuur van rond de 40 °C te behouden, worden de vetreserves aangesproken. Zo kan een winterkoning in een koude nacht tot 10% van zijn gewicht verliezen. En hij weegt al niet veel: nauwelijks 10 gram, net zoveel als een twee-euromunt. Tijdens een zeer koude winter kruipen winterkoninkjes dicht tegen elkaar aan om niet onderkoeld te raken en de koudste weken van het jaar goed te doorstaan. Dat doen ze op een beschutte plek zoals in een boomholte. Zo’n groep kan bestaan uit tot wel twintig van deze kleine, warmbloedige vogeltjes. Het recordaantal winterkoningen in één slaapgroep staat op 61. Zo’n 2 keer per jaar legt de winterkoning 5 tot 8 kleine, glanzend witte eieren met rode spikkels. Na circa 2 weken komen de eieren uit en al na 8 dagen hebben de jongen de grootte van hun ouders. Soms bouwen winterkoninkjes een dubbel nest, waarbij de eieren in het grotere bovennest worden gelegd en het ondernest dienstdoet als slaapplaats.

4. (4 december 2020): Roodborsten komen overal in Nederland voor met uitzondering van landschappen zonder bomen. Vooral aanwezig in niet al te jonge bossen, tuinen, parken en kleinschalige landschappen. In de winter ook in stadstuinen. Als er veel struiken en kruiden zijn, dan geeft dat de hoogste dichtheden roodborsten. Een deel van de Nederlandse broedvogelpopulatie trekt tussen augustus en november richting Spanje en Portugal, zij keren in het vroege voorjaar weer terug. Het deel dat in Nederland blijft, krijgt gezelschap van soortgenoten uit Duitsland, Polen en de Scandinavische landen. Voorjaarstrek tot eind april. Nachttrekker.

In ruil voor wormen, slakjes, spinnetjes en aangeboden wintervoer zingt de Roodborst de longen uit zijn mooie lijf. Er zijn maar weinig vogels die in de winter zingen. De meeste vogelsoorten hebben in de winter wel wat anders aan hun hoofd. Die zitten dan gebroederlijk naast elkaar te eten. Soms zelfs in grote groepen, terwijl ze in de zomer paarsgewijs optrekken. De Roodborst niet! Die heeft een winterterritorium, en dat verdedigt hij fanatiek. Niks samen, alléén! Wanneer de dagen weer lengen, vertrekt het noordelijke Roodborstje weer richting zijn geboorteland. Deze vogel maakt plaats voor het Roodborstje wat het jaar daarvoor hier is geboren. Dus het hele jaar door zie je Roodborstjes, maar het is niet altijd dezelfde vogel.

Gemakkelijk te herkennen aan aardbruine bovendelen, witte buik en onderstaart, en oranje gezicht en borst die van bovendelen gescheiden zijn door grijze band. Oog groot en donker, opvallend in egaal oranje gezicht. Geslachten gelijk. Juveniel met oranjegele vlekken, als een juveniele lijster of nachtegaal. Opgerichte houding. Doorgaans niet schuw en makkelijk te benaderen. In de zomer wordt territorium verdedigd door paar, in de winter hebben individuele vogels een voedselterritorium, dat met grote agressie wordt verdedigd. In de winter wordt aanwezigheid van territorium aangegeven door luide zang, ook door vrouwtje.

Het voedsel bestaat uit ongewervelden, zaden en vruchten. Foerageert voornamelijk op de grond, pikt hierbij ook onstuimig in de grond om ondergrondse prooi op te sporen. Jaagt soms vanaf lage uitkijkpost. Aantal eieren in legsel meestal 5-6, soms 3-9. 

Ingang Zandvoortselaan
in Zandvoort

Zandvoortselaan 130 

AWD is de perfecte plek om vossen te fotograferen! Het is ook het enige gebied in Nederland waar dat mogelijk is. De vossen zitten op een bepaalde plek in het gebied, het is 45 minuten lopen vanaf de ingangen. Op het kaartje hieronder bij de ingangen laat ik zie waar de vossen zitten. Op die plek staat een hutje waar je kan uitrusten en je spullen kan neer zetten. Deze vossen worden ook wel de patat-vossen genoemd, dit komt omdat mensen ze voeren met eten (vooral kattenbrokjes), hen zo te lokken en een foto te maken. Je hebt overigens wel een grotere kans op een vos die komt voor eten in de winter dan in de zomer, maar dit spreekt misschien voor zich. Het is geen garantie dat je de vossen ook echt ziet! Ze zitten er wel, maar het kan zomaar zijn dat je 3 uur moet wachten voor ze te voorschijn komen. Of ze laten zich helemaal niet zien en je gaat met lege handen naar huis. Ik wil je als tip meegeven om in de buurt van de andere fotografen te blijven als je daar bent, zij zitten vaak niet voor niets bij elkaar en op een of andere manier komt de vos daar wel op af.

5. 26 december 2020: Een vos is maar weinig groter dan een flinke kat, hoewel hij door zijn lange vacht en dikke staart vooral 's winters bedrieglijk groot lijkt. De vos heeft een oranjebruine, rode of bruingrijze vacht, korte poten en een langgerekt lichaam. De rug is donkerder dan de flanken en de buik is grijs tot bijna wit. Hij heeft een dikke, lange staart vaak met een witte punt. Hij heeft grote puntige oren die aan de achterzijde zwart zijn, een zwart-witte snuit en amberkleurige ogen. De wintervacht is veel dikker dan de zomervacht en meestal grijzer van kleur. De vos heeft een goed gehoor en reuk maar ziet minder scherp.

De vos is een schemer- en nachtdier en leeft in familiegroepen bij elkaar. Holen worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt om in te slapen, in winter en voorjaar, als ze drachtig zijn of kleine jongen hebben. In de overige jaargetijden slapen ze meestal, net als de meeste mannetjes het gehele jaar door doen, op een beschut plekje bovengronds, onder een dichte struik bijvoorbeeld.

Vossen zijn opportunisten: ze leven van wat zich ter plaatse het gemakkelijkst laat verschalken. Kleine knaagdieren (vooral woelmuisen) en haasachtigen (haas, konijn) vormen het hoofdmenu. Maar ook vogels, insecten, eieren, bessen, afgevallen fruit, aas en afval wordt gegeten. Per dag heeft een vos ongeveer vijfhonderd gram voedsel nodig. De wijze waarop een prooi wordt gevangen is heel divers. Kleine prooidieren worden op het gehoor gevangen.

Soms besluipt de vos een prooi, soms zit hij de prooi achterna in een sprint. Vogelnesten worden leeggehaald, holen in de grond uitgegraven en fruit en bessen geplukt. Een ei houdt hij met de voorpoten vast, doorboort het met een hoektand en slobbert dan de inhoud op. Vossen eten ook egels en zijn meester in het doen ontrollen van de egel waarna hij deze doodbijt. Soms bijt hij de kop van een konijn en laat die liggen.

Soms vangen ze prooien die ze niet lekker vinden, zoals spitsmuizen of een wezel. Als ze niet heel veel honger hebben, laten ze die liggen. De vos bewaart soms voedsel achter loszittende boomschors of in een kuiltje, dat wordt toegedekt met aarde. Zelfs maanden later weet de vos door een combinatie van geur en herinnering de verstropte prooi terug te vinden.

 

6. Sijs: Het volwassen mannetje is een opvallend uitziende vogel met een geelgroene rug met donkere strepen, gelige borst en wit gestreepte onderkant. Het heeft geel en zwart gestreepte vleugels en een korte gevorkte zwarte staart met gele vlekken. Het hoofd en de wangen zijn geel met een zwarte pet (voorhoofd) en kin. Het vrouwtje lijkt op het mannetje, hoewel veel bleker/doffer van kleur met een grijzige kop zonder de zwarte muts of kin, noch is er geel op de borst. Jonge vogels zijn nog doffer en grijzer van kleur dan het vrouwtje. Siskins hebben een smalle snavel die bij uitstek geschikt is voor het extraheren van zaden uit dennenappels, een hoofdbestanddeel van hun dieet.

De sijs is overwegend een zaadeter en is vooral bedreven in het verwijderen van zaden uit kegels van de dennen-, sparren-, berken- en elzenbomen. Het voedt zich zelden op de grond, maar zal zijn jongen af en toe voeden met kleine insecten.

Dennenbossen en grote bosgebieden van Schotland en Wales zijn favoriete verblijfplaatsen voor de sijs, vooral in het broedseizoen, hoewel ze relatief vaak voorkomen in het Verenigd Koninkrijk. Hoewel de sijs een inwoner van het Verenigd Koninkrijk is, komen er in de winter veel meer sijzen aan onze kusten vanuit de koudere klimaten van Noord-Europa en bezetten voornamelijk de regio’s van Oost-Engeland en de Midlands, en keren in de lente terug naar het noorden.

Tijdens de late herfst- en wintermaanden worden ze vaak gezien in koppels in gezelschap van kleine barmsijzen met wie ze zich ook in de boomtoppen voeden.

Het fokken vindt plaats van half maart tot juli. De vrouwelijke sijs bouwt een klein bekervormig nest van twijgen bekleed met veren, korstmos en ander plantaardig materiaal hoog in een boom die zich meestal in beheerde bossen in Schotland en Wales bevindt. Ze legt elk seizoen maximaal twee legsels van tussen de 2 en 6 eieren. Alleen het vrouwtje zal de eieren uitbroeden, hoewel beide ouders de jongen zullen voeden.

Sijzen hebben een levensduur van 2 tot 3 jaar

7. Knobbelzwanen verdedigen hun eenmaal afgebakende territorium fanatiek: het mannetje kan daarbij zeer agressief worden. Hij neemt dan een dreigende houding aan waarbij hij zijn vleugels wijd uitspreidt, zijn kop laat zakken, en luid sissend op de indringer af gaat. Zoals alle eendachtige verliezen zwanen in de rui plotseling hun slagpennen, zodat ze niet meer kunnen vliegen. Om toch altijd hun jongen te kunnen verdedigen als het nodig is, raakt het vrouwtje in de rui zolang de jongen nog klein zijn en begint de rui bij het mannetje pas als bij het vrouwtje de belangrijkste veren weer aangegroeid zijn.

De knobbelzwaan ook wel zwaan genoemd werd in de 16e en 17e eeuw in Europese landen ingevoerd. Vroeger waren ze alleen in gevangenschap te zien, maar tegenwoordig leven ze bij ons vooral in het wild. Zwanen ziet men het meest op het platteland. Men vindt ze vrijwel ieder niet te klein gebied met ondiepe, open wateren zoals kanalen, spaarbekkens, moerassen of rivieren. In ieder geval hebben zwanen een grote wateroppervlaktes nodig, enerzijds voor voldoende voedsel, anderzijds omdat ze een lange ‘startbaan’ nodig hebben om weg te kunnen vliegen. 

Meestal in april beginnen knobbelzwanen te broeden. Net als sommige andere vogels, nestelen ze op de grond, aan de rand van het water. Het mannetje brengt het vrouwtje takjes en rietstengels waarmee ze het nest kan bouwen. Soms worden de nesten elk jaar weer gebruikt. De eieren worden met tussenpozen van 48 uur gelegd. Het vrouwtje zit het meest op het nest en begint pas te broeden wanneer ze haar laatste zwanen ei gelegd heeft. Zwanen kuikens verlaten het nest al kort nadat ze uit het ei gekomen zijn, maar blijven tot in de winter bij hun ouders. Het duurt een jaar voordat

Knobbelzwanen eten vooral overdag en voornamelijk plantaardig materiaal. Zwanen voeden zich met waterplanten en wortels die ze uit de bodem trekken. Af en toe gaan knobbelzwanen ook het land op om grassen, kruiden en zaden te eten. 

In Midden-Europa en op de Britse Eilanden blijven de knobbelzwanen zelfs winters in hun broedgebied en trekken maar zelden weg. Veel van hen verlaten wel hun broedgebieden, en vormen op nabij gelegen wateren kleine zwermen. In Scandinavië ondernemen zwanen elk jaar een lange trektocht. Van hun broedplaatsen bij de inlandse meren die in de winter dichtvriezen, trekken ze elke herfst naar de kust van de Oostzee.

8 (februari 2022):  De Kuifeend is makkelijk te herkennen aan de kuif achterop zijn kop, zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben deze kuif. De mannetjes Kuifeenden hebben een zwart verenkleed met witte flanken. Opvallend is dat zowel de mannetjes als vrouwtjes fel oranje ogen hebben. 

Een verschil tussen de mannetjes en vrouwtjes eend is dat de vrouwtjes een kleinere kuif hebben en een andere kleur. De vrouwtjes zijn bruin van kleur en hebben een grijs-witte buik. De kuikens van deze eend zijn donker gekleurd met een bruinige tint.

De oorsprong van deze eenden is niet bekend, het vermoeden is wel dat ze oorspronkelijk uit Indonesië komen. 

9. (februari 2022): De krakeend komt tegenwoordig in natuurgebieden vaker voor dan onze eigen wilde eend. De borsttekening van deze watervogel valt direct op. Met een bruine kop, zwart achterlijf, gitzwarte snavel en lichtbruine staartpunt, lijkt hij qua kleur niet op een wilde eend. En de prachtige tekening op zijn borst van kleine golfjes in wit, tegen een grijs-zwarte achtergrond, is ook niet alledaags te noemen. 

Het krakeendmannetje lijkt niet op een mannetje wilde eend, maar het krakeendvrouwtje lijkt wel op een vrouwtje wilde eend. Je kan door een smalle oranje streep op de snavel zien dat het een krakeend is. En ze heeft een witte buik en een witte spiegel (dat is een vlek aan de zijkant die je vooral ziet als de vleugels uitgestrekt zijn), waar dat bij een wilde eend duidelijk blauw

10. (20 maart 2023) Wintertaling: D Wintertaling is een trekvogel die  overwintert in Nederland omdat het hier minder koud is en hier nog genoeg voedsel te vinden is. In maart vertrekken ze alweer terug naar hun broedplekken in het noorden. 

De wintertaling is misschien wel de meest opvallende eend in dit rijtje. De watervogel is heel erg klein, de kleinste eenden soort in Europa. De eend is ongeveer 35 cm groot. De vogels leggen acht tot elf lichtgele tot lichtgroene eieren.

Foto onder: Eend op de voorgrond, Wintertaling vrouw en op de achtergrond wilde eend vrouw. 

Het mannetje is het kleurrijkst, deze staat ook op de foto. Met zijn roodbruine kop en donkergroene vlek bij het oog is het dier makkelijk te onderscheiden. Over het lichaam loopt ook een horizontale, witte streep. De spiegel van het dier is donkergroen, wat ook weer heel goed terug te zien is op de foto. Het vrouwtje heeft een veel minder opvallende kop, een bruine kop. Ze heeft echter ook de groene spiegel en de horizontale, witte streep zit ook op haar lichaam. 

11. (1 mei 2025): Kneuen zijn vaak te zien in groepjes, waarbij de vogels erop los kwetteren. Een man kneu in prachtkleed heeft een fraaie karmijnrode borst en 'baret'. De kneu broedt in lage struiken en struwelen nabij kruidenrijke vegetaties, in allerlei tamelijk open landschappen. Ze broeden vaak half-kolonievormig en zoeken hun voedsel ver buiten de territoria. Nederlandse broedvogels overwinteren in Zuidwest-Europa.

Een kleine vinkensoort, kleiner dan huismus. Man heeft een warmbruine rug en in prachtkleed een karmijnrode borst en 'baret'. Na het broedseizoen is dat meer roodbruin. Mannetjes een grijs achterhoofd, bij vrouwtjes en onvolwassen vogels is dit bruingrijs. Vrouwtjes en onvolwassen vogels hebben een zwak gestreepte borst en kruin en hebben geen rood in het verenkleed. Grijze kegelvormige snavel. Vliegt vaak in groepjes met golvende vlucht, druk kwetterend.

Broedt vanaf half april tot eind juli, meestal tussen eind april en half juni. Heeft twee tot drie broedsels per jaar met meestal 4-6 eieren. Broedduur 12-13 dagen. Bouwt nest vaak in laag en middelhoog struweel met uitstekende takken, liefst in doornige struiken, niet te dicht en niet te open. Ze broeden graag in semi-koloniaal verband. Niet erg territoriaal, soms meerdere nesten in een struik. De jongen zitten 12-17 dagen op het nest. Na uitvliegen, krijgen ze nog een tijdje begeleiding van de ouders.

De kneu broedt in dichte struiken in allerlei halfopen landschappen. Het talrijkst zijn kneuen in de duinen en in akkerbouwgebieden met hagen, maar ze broeden ook op plekken met jonge aanplant, oude struikheide met opslag en soms stedelijke bebouwing (tuinen, jonge groenvoorziening). Vanuit de liefst doornige struiken ondernemen kneuen in kleine groepjes voedselvluchten van soms drie kilometer naar plekken met een rijk aanbod aan zaden. Vanaf juli vormen zich groepen op voedselrijke plekken.

In Nederland broedende kneuen trekken via Zuidwest-Frankrijk weg naar Spanje en Marokko. In Nederland ook doortrekkers vanuit Engeland, Duitsland en Noord-Europa. Er zijn overwinteraars op plekken met voedsel in het agrarisch gebied. Na het broedseizoen vanaf half september begint de najaarstrek tot eind oktober met een piek rond half oktober. De voorjaarstrek begint ongeveer half maart en loopt tot begin mei, met een piek rond half april. Trekt meestal overdag met tussenstops in grote groepen langs kusten en rivierdalen.

12. ( 5 augustus 2025): De tureluur is een middelgrote steltloper met vrij lange, rode poten. In Overijssel kiest hij als leefgebied graag kruidenrijke graslanden, met liefst wat slootjes, greppels of plasdras. Net als veel boerenlandvogels, neemt de tureluur in aantallen af. Een van de oorzaken is de intensivering van de landbouw. Ook heeft hij last van laag waterpeil.

De Tureluurj is altijd te herkennen aan de markante felrode poten en de brede witte achterrand van de vleugels. Er is nauwelijks verschil tussen man en vrouw; het mannetje is echter zwaarder getekend en donkerder. Een niet zo algemene weidevogel, die als niet-broedvogel vooral op het wad te vinden is. 

De tureluur houdt van vochtige, kruidenrijke, laat gemaaide graslanden met een pollige structuur en veel slootjes, greppels en plasdras; kwelders; natte, open duinvalleien, heiden en venen. Buiten de broedtijd verblijft hij graag in een zoute omgeving (getijdengebieden, Waddenzee, Delta) en ook in ondiepe plassen en slikjes in het binnenland.

Het gaat niet goed met de vogels van het boerenland. De aantallen gaan op veel plaatsen hard achteruit. Sommige soorten, zoals zomertaling en kemphaan zijn zelfs al verdwenen. Andere soorten, zoals de grutto, scholekster en tureluur, zien we nog wel, maar nemen in aantallen af. 

Territoriaal en monogaam, maar paren kunnen dicht bij elkaar broeden, in half-kolonies. Nest op grond, meestal goed verborgen tegen een pol gras; vouwt gras over het nest. Legtijd april-juni (in het noorden). Eén broedsel, meestal vier eieren. Broedduur: 23-24 dagen, beide geslachten broeden. Jongen zijn nestvlieders en worden door beide ouders gehoed, maar vaak alleen door het mannetje; vaak ook splitst de familie zich. Jongen vliegvlug na 23-25 dagen.

Grotendeels trekvogel, maar deel IJslandse en West-Europese tureluurs nagenoeg standvogel. Noord-Scandinavische en Russische populaties trekken verst naar het zuiden (West-Afrika); IJslandse populatie overwintert vooral in West-Europa (Waddenzee). Trek over breed front en via de kust naar ZZW, wellicht ook over de Sahara naar West-Afrika. Voorjaarstrek van maart - april tot diep in mei (noordelijke broedvogels, als Nederlandse al volop broeden). Najaarstrek van juli tot in september. Trekt vooral 's nachts, in voorjaar ook overdag.

13. (6 maart 2026): Boomkruipers zijn bruingevlekt van boven en wittig van onderen. Met hun spitse, omlaaggebogen snavel worden insecten uit spleten in boombast gepeuterd. Boomkruipers klimmen spiraalsgewijs langs een boomstam omhoog, daarbij de bast afzoekend naar insecten. Een boomklever gaat ook naar beneden op de boomstam. Bij koude nachten kruipen boomkruipers bij elkaar; uit een bal van veren kunnen dan soms tien of meer staartjes steken.

Vlak na de kortste dag, kun je de eerste boomkruipers weer horen zingen, zeker als het zacht weer is. Het is een korte, hoge en onopvallende zang.

De boomkruiper is een uitgesproken insecteneter. Insecteneters die het moeten hebben van vliegende insecten (muggen, dag- en nachtvlinders, wespen en bijen) trekken in de herfst weg omdat er dan geen voedsel meer beschikbaar is, zoals zwaluwen bijvoorbeeld. De boomkruiper gaan in de winter echter op zoek naar insecten die in holtes en spleten overwinteren en kunnen dus jaarrond hier blijven.

Paartjes broeden regelmatig twee keer per jaar. De nesten overlappen dan meestal: het mannetje bouwt een tweede nest waarin het wijfje eieren legt, terwijl de jongen van het eerste nest nog niet zijn uitgevlogen. Nadat de jongen zijn uitgevlogen worden ze nog 1 tot 3 weken doorgevoerd door de ouders.

  • Boomkruipers hebben een speciale staart. De 12 staartveren zijn stug, stijf en gepunt: ideaal als steun bij het klimmen. Doordat de staartveren almaar over de schors slepen, slijten ze snel. Alle zangvogels ruien eerst de centrale staartveren. Enkel boomkruipers en de spechten (die beide de steun van vooral de middelste staartveren nodig hebben bij het klimmen) ruien de centrale staartveren als laatste, nadat alle andere staartveren zijn vervangen. 
  • Boomkruipers slapen achter een loshangend stuk schors of hakken een slaaphol uit in het halfvergane hout van dode bomen of in de zachte, levende schorslaag van coniferen. Vooral ’s winters slapen ze vaak in groep; door dicht tegen elkaar te gaan aanzitten verliezen ze minder energie.

Bruingevlekt verenkleed met roomwitte onderzijde. Spitse, omlaaggebogen snavel. Korte poten met lange tenen, lange teennagels voor een goede grip op boomstammen. Met zijn staart leunt hij tegen de boom aan bij het omhoog klimmen.

De boomkruiper is een soort die sterk heeft geprofiteerd van meer gevarieerde en oudere bossen die niet al te zeer onderhouden worden. Zulke bossen bieden meer voedsel en meer nestgelegenheid. De boomkruiper komt voor in grote delen van Europa, maar niet in Groot-Brittannië, Ierland, Fenno-Scandinavië, de Baltische Staten en Rusland. 

14. (6 maart 2026) Grote bonte specht: Zwart-witte vogel met een rode 'broek'. In de vlucht vallen de grote witte schoudervlekken op. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd. Deze ontbreekt bij het vrouwtje. Jonge spechten hebben een rood petje en worden daarom soms aangezien voor een middelste bonte specht. Maar het rood van de middelste is een tint lichter en de middelste bonte specht heeft een meer wit 'gezicht'. Zo ontbreekt er een zwarte rand langs de kruin. De grote bonte specht heeft de voor spechten kenmerkende golvende vlucht en is vaak te horen in oudere bossen, parken en tuinen.

De meest algemene specht van Nederland. Zowel mannetje als vrouwtje roffelt op takken met een korte snelle roffel om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken in bomen een nestholte uit met een rond gat. Ze hebben een voorkeur voor zachte houtsoorten, zoals berken. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd.

De grote bonte specht eet vooral insecten(larven) en schakelt in de winter over op verschillende boomzaden (vooral van dennen- en sparrenappels), noten (hazelnoot, okkernoot, beuk, haagbeuk) en in mindere mate eikels. In die periode zijn ze wel eens te gast op de voedertafel in de tuin. In de zomer eet hij soms ook eieren en rooft hij jonge vogels uit nesten.

Het mannetje van de grote bonte specht heeft een wel zeer ijverige manier om zijn partner te verleiden: hij trommelt zijn snavel 10 tot 20 keer per seconde tegen hol hout. Dit dient om een vrouwtje te wijzen op zijn aanwezigheid, maar ook om zijn territorium te markeren. Vrouwtjes gaan soms even terug trommelen om zich kenbaar te maken wanneer ze het territorium van een mannetje betreden. Grote bonte spechten hakken hun nestholtes uit in bomen, bij voorkeur in zachte houtsoorten als berk. Gemiddeld doen ze daar 14-25 dagen over. Zowel mannetjes als vrouwtjes helpen mee. Een nestholte wordt maar zelden opnieuw gebruikt, meestal hakken ze elk jaar een nieuw nest uit. Hun oude nesten zijn dan wel bruikbaar voor andere soorten, zoals de boomklever. Grote bonte spechten maken het hun jongen niet meteen comfortabel: ze leggen hun witte eieren gewoon op het hout in de nestholte. Met een broedduur van ongeveer 10 dagen en de daaropvolgende 3 weken waarin de jongen in het nest opgroeien zit er ongeveer een maand tussen eileg en het uitvliegen van de jongen.

Broedt vanaf begin april. Heeft één legsel met meestal 5-7 eieren. Gebruikt jaarlijks een nieuwe nestplek

Grote bonte spechten zijn het gehele jaar in de omgeving van hun broedgebied aanwezig, hoewel ze in de winter wel een ruimer gebied gebruiken op zoek naar voedsel. Bij die omzwervingen komen deze spechten ook regelmatig in (stads)tuinen terecht. Jonge spechten zwerven rond in het najaar, van augustus tot in oktober worden soms trekkende spechten gezien.

15. (6 maart 2026) Blauwe reiger: Voor een ontmoeting met de blauwe reiger moet je je naar vijvers, beken en moerassen begeven. Deze ultraslanke en majestueuze waadvogel kan urenlang op één been uitrusten! Als visser is hij even daadkrachtig als ongenadig. In het begin van de vorige eeuw verklaarden vissers de blauwe reiger vogelvrij, waardoor hij bijna uit de natuur verdween. Gelukkig is hij tegenwoordig weer overal waar water  is te zien!

Lange poten, lange hals, lange snavel ... Allemaal typische reigerkenmerken, van welke familie de blauwe reiger de grootste vertegenwoordiger in Europa is. Zijn grootte is dus al een eerste weggever om te weten met wie je te maken hebt. Tijdens het rusten én in de lucht vouwt hij zijn hals in een S-vorm, waardoor je hem makkelijk kan onderscheiden van ooievaars en kraanvogels die hun hals helemaal uitstrekken tijdens het vliegen. Wanneer de blauwe reiger alert is of klaar om een prooi te vangen, steekt hij wel z’n nek uit. 

Behalve vissen, eet de blauwe reiger zowat alles wat in ondiep water leeftkikkerssalamanders, palingen, rivierkreeftjes en zelfs ringslangen. Hij zoekt ook aan land naar prooien, vooral in de winter. Dan focust hij op insecten, wormen, planten en zelfs jonge vogels, mollen en muizen. De reiger kan probleemloos visgraten verteren, maar zoogdierharen worden uitgebraakt in de vorm van een braakbal. 

Deze grote vogel leeft in de buurt van water, bij voorkeur ondiepe plekken die geschikt zijn om te jagen. Daarom vind je hem in de buurt van rivieren, meren, vijvers en moerassen. Ook waagt hij zich wel eens aan de kust, bij riviermondingen en zandbanken. Hij is niet kieskeurig op vlak van water, zowel zoet als brak, stilstaand of stromend komen in aanmerking - op voorwaarde dat er vis aanwezig is.De blauwe reiger geeft de voorkeur aan water omringd met hoge bomen of bossen met waterpartijen. Blauwe reigers zijn deeltrekkers: sommige vertrekken in de winter naar het zuiden, steeds meer exemplaren durven het aan om hier te overwinteren. Als ze niet verrast worden door een lange periode van vries, zijn hun overlevingskansen groot. 

Het paarseizoen van de blauwe reiger duurt van februari tot juli. De soort nestelt in kolonieverband, meestal in de top van hoge bomen. Er zijn ook reigers die hun nest maken aan het uiteinde van een tak of zelfs op een eilandje in het water. Een ding hebben alle nestplaatsen gemeen: ze zijn ontoegankelijk voor potentiële roofdieren.  Het mannetje brengt bouwmaterialen aan: takken, droge twijgen, rietstengels of waterplanten. Daarmee bouwt het vrouwtje een platform dat meerdere jaren na elkaar kan worden gebruikt à rato van één legsel per jaar. Gedurende drie weken bebroedt het koppel beurtelings 3 tot 6 lichtgekleurde eieren met een blauwe schijn. Een maand lang worden de kleintjes gevoerd door hun ouders. Na 50 dagen strekken ze de vleugels en op een leeftijd van 9 weken verlaten ze het territorium van hun ouders. Tijdens het broedseizoen is de blauwe reiger strikt monogaam, maar daarna gaat ieder zijn eigen weg.Buiten het broedseizoen verzamelen de vogels zich aan de waterkant om samen te slapen. 

In het begin van de 19de eeuw begon men de reiger te aanzien als plaag en als concurrent voor de mens. Hij werd dan ook lange tijd bejaagd en zelfs bijna uitgeroeid door vissers en viskwekers omwille van zijn buitensporige gulzigheid.En ook nu nog zijn veel eigenaars van tuinvijvers de blauwe reiger liever kwijt dan rijk. Daarom worden vijvers met vis vaak beschermd met netten of draden. De blauwe reiger is een felle jager, maar houdt zich op gepaste afstand van mensen. Als een echte opportunist, kiest hij zijn momenten uit: ‘s morgens vroeg of ‘s avonds laat vat hij post in tuinen om toe te slaan wanneer wij nog/al in ons bed liggen.