Dit landgoed ligt in het Kennemerland bij Haarlem. Het landgoed Koningshof van 200 hectare bestaat namelijk bijna geheel uit het oorspronkelijke duinlandschap. Behalve rondom het bakstenen huis is er weinig ingegrepen in de natuur. Het landgoed ligt in de oude binnenduinen en een flink deel van het gebied is bebost. Een deel van het gebied is rustgebied voor wild en is afgesloten voor publiek. Ook het overig deel is beperkt toegankelijk, namelijk alleen voor leden van Natuurmonumenten en van het Noord-Hollands Landschap. De waarde van dit wandelgebied ligt vooral; in de rust die te vinden is in het gebied en het mooie natuurlijk landschap.
INDEX:
1. Vlaamse Gaai
2. Vink
3. Konikpaarden
4. Schotse Hooglander
5. Winterkoninkje
6. Pimpelmees
7. Roodborst
8. Kneu
9.Goudhaantje
10. Staartmees
11. Tjiftjaf
1. (5 maart 2023): De Vlaamse gaai is een veelvoorkomende maar bijzondere verschijning. Het luide geschreeuw in de bossen verraadt zijn aanwezigheid. Niet voor niets wordt de kraaiachtige vogel ook wel een schreeuwekster genoemd. Het meest kenmerkende aan de gaai is zijn lichtbruine verenkleed en blauw met zwart gestreepte vleugels. Hij heeft een zwarte snavel en wit achterste met een zwarte staartpunt. Zijn gevlekte kuifje kan hij bij irritatie omhoog zetten. Gaaien worden 30-35cm lang en hebben een spanwijdte van 55cm.
Het geluid van de Vlaamse gaai is een doordringend geluid. Maar het heeft wel degelijk een functie. De gaaien kunnen hiermee andere dieren waarschuwen voor gevaar. Ook kunnen ze andere vogels imiteren om verwarring te zaaien bij de vijand. Zo doet de gaai zonder probleem een buizerd of havik na. Hoewel het dier vooral bekend staat als lawaaischopper, kan de gaai wel degelijk zingen. Van oorsprong is het zelfs een vrije schuwe bosbewoner.
De Vlaamse gaai komt naast Nederland voor in vrijwel heel Europa, Noord-Afrika tot ver in Azië. Het wordt ook wel de bosbouwer genoemd. Dit komt omdat de vogel eikels en beukennootjes als wintervoorraad begraaft in de bossen. De exemplaren die niet teruggevonden worden, hebben alle tijd om uit te groeien tot een nieuwe boom. De gaai kan wel 8 eikels achter zijn wangen bewaren. Het dier leeft voornamelijk in loofbossen, gemengde bossen en parken. Soms laten ze zich zien in achtertuinen. Hun nesten zijn goed verstopt in struiken en bomen.
2. (10 december 2023): De Vink is een opvallende verschijning, met name het mannetje. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop en nek, een kastanjebruine rug en felroze flanken en borst. Daarnaast zijn er witte vleugelstrepen en buitenste staartpennen. Het vrouwtje is minder kleurrijk, met overwegend grijze en bruine tinten. Beide geslachten hebben echter kenmerkende witte kleine dekveren onder de staart. Hun grootte varieert van 14 tot 16 cm, wat hen iets kleiner maakt dan een Huismus maar groter dan een Pimpelmees. De Vink heeft relatief korte poten, die ideaal zijn voor het oppikken van zaden op de grond.
De Vink staat bekend om zijn prachtige zang en lokroep. Het mannetje van de Vink heeft een melodieus liedje met verschillende tonen en melodieën. Hij kan ook andere vogels imiteren, zoals de Zanglijster, Merel en Roodborst. Het vrouwtje heeft een zachtere zang. De Vink gebruikt zijn zang om zijn territorium te markeren en om indruk te maken op een vrouwtje tijdens het broedseizoen. Naast zijn zang produceert de Vink ook herkenbare roepgeluiden, zoals tik-geluiden en tjiftjaf geluiden. Deze geluiden helpen de Vink om te communiceren met andere vogels in zijn omgeving.
De Vink staat bekend om zijn gevarieerde dieet en zijn indrukwekkende voortplantingsgedrag. Als het gaat om voedsel, voeden Vinken zich voornamelijk met zaden. Daarnaast eten ze ook insecten en bessen, vooral tijdens het broedseizoen.
Wat betreft de voortplanting, hebben Vinken een interessante manier om hun partner te verleiden. Het mannetje zingt een prachtig lied om vrouwtjes aan te trekken. Dit lied bestaat uit verschillende tonen en dialecten, en kan soms wel 20 minuten duren. Zodra een vrouwtjesvink interesse toont, begint het paarkoppel aan het broedproces. Het vrouwtje bouwt het nest, terwijl het mannetje haar constant in de gaten houdt en haar voedt tijdens deze periode. Het vrouwtje legt meestal 4 tot 6 eieren, die ze ongeveer twee weken bebroedt.
De Vink heeft een groot verspreidingsgebied en is te vinden in heel Europa, Azië en Noord-Afrika. Hij komt ook voor in Nederland, waar hij een algemene broedvogel is. De Vink leeft voornamelijk in bosrijke gebieden, maar is ook te vinden in parken en tuinen. Hij houdt van gemengde bossen met voldoende struiken en bomen om in te nestelen. De Vink is een standvogel, wat betekent dat hij het hele jaar door op dezelfde plek kan worden gevonden. In de winter kan het aantal Vinken in Nederland toenemen doordat er ook vogels vanuit Scandinavië naar ons land migreren.
De wandelingen beginnen in het dichte loofbos rondom het landhuis. Naarmate meer richting zee wordt gewandeld, zijn de verschillende fasen in de duinontwikkeling te zien. Het bos gaat over in dennenbos afgewisseld met open plekken met gras en lage struiken. Vervolgens gaat de begroeiing over in meer struikachtige planten, zoals de meidoorn en de kardinaalsmuts. Dan belanden we in het duinstruweel, veel duindoorn afgewisseld met liguster. In het openduingebied van Koningshof bloeien de duinroos, het duinviooltje en bijna tot in de winter de koningskaarsen, die de randen van de paden versieren met hun gele toortsen.
3. ( 5 maart 2023): Het Konikpaard komt oorspronkelijk uit Polen. Daar werd het gefokt als vervanger voor zijn uitgestorven voorvader, de tarpan. Konikpaarden worden gebruikt als wilde grazers in natuurgebieden.
Aangezien de paarden in groep leven, houden ze in grote gebieden zonder problemen de vegetatie kort. Bovendien zijn ze sterker dan gedomesticeerde paarden en kunnen ze ook strenge winters aan.
Konikpaarden eten graag kort gras, waardoor ze vaak hetzelfde terrein begrazen. Zo ontstaat een typische paardenwei. Een latrine daarentegen verruigt, doordat daar door paarden niet gegeten wordt. Hierdoor ontstaan omstandigheden waarbinnen een meer diverse flora en fauna zich kan ontwikkelen.
In Nederland werden Konikpaarden voor het eerst in 1981 geïntroduceerd in het natuurbeheer door bioloog Gerben Poortinga. De introductie was niet uitsluitend bedoeld als manier om bebossing tegen te gaan zoals voorheen de inzet van boeren vee, maar als een integraal onderdeel van de natuur. Grazers en de natuur om hen heen moeten zich in deze visie in onderlinge afhankelijkheid ontwikkelen. Poortinga verlangde van de beheerders dat strikt natuurlijke kuddevorming zou plaatsvinden zonder dierverzorgende maatregelen en dat overbevolking uitsluitend willekeurig en op basis van ecologische ontwikkelingen van het gebied zouden plaatsvinden.
In de Nederlandse natuurgebieden ontbreken predatoren van de Konik. Hierdoor is het gedrag van de paarden anders dan in een gebied met predatoren zoals wolven en lynxen. In de Franse Jura is de Konik uitgezet omdat de paarden minder last van predatoren hebben dan de schapen die er rondlopen. In Letland is de Konik uitgezet om verbossing tegen te gaan in een milieu waar de wolf thuis is. De ervaring tot nu toe leert dat een gezonde kudde paarden weinig te duchten heeft van de wolf. De wolf is niet direct gewend om op het paard te jagen; ook de wolf moet zich hieraan aanpassen.
4. (5 maart 2023) Schotse Hooglanders: je hebt ze vast wel eens gezien in één van de vele natuurgebieden die Nederland rijk is. Deze prachtige, robuuste oer koeien, gehuld in een roodbruine dikke jas overleven zelfs bij -30 graden! Ze kunnen tegen een stootje, maar hebben een heel rustig karakter.
De naam zegt al waar hun geboortegrond ligt: deze imposante dieren komen oorspronkelijk uit West-Schotland. Ze stammen af van een nog ouder Keltisch rund. Die leefden daar al eeuwen terug op de ruige hooglanden in het wild. Ze zijn oersterk en kunnen dankzij hun lange vacht goed tegen een koud en grillig klimaat. De buitenste laag van de vacht houdt water tegen, terwijl de binnenste laag vooral voor warmte zorgt. De Hooglanders zijn dus behoorlijk aangepast aan hun omgeving en krijgen zelfs hun kalfjes op latere leeftijd, zodat hun overlevingskansen groot zijn.
Pas in de jaren zeventig en tachtig komen de eerste Hooglanders naar Nederland. Nu leven er hier zelfs meer dan in Schotland, zo’n duizend stuks. Niet alleen vanwege hun mooie uiterlijk, maar ook omdat ze goede grazers zijn en planten eten die andere grazers laten liggen. De hooglanders snoeien planten en struiken en zorgen voor licht en ruimte, zodat er weer andere planten tot bloei kunnen komen. Zo helpen ze bij het natuurbeheer en zorgen ze ervoor dat weiden en rivieroevers niet dichtgroeien. Heel belangrijk dus voor de biodiversiteit.
5. (10 december 2023) Winterkoninkje: Het winterkoninkje is het op één na kleinste vogeltje van Europa, alleen de goudhaan is kleiner dan hem. Hij komt wat nerveus over met zijn steeds op en neer gaande staart, drukke vliegbewegingen en druk rondscharrelend op de grond opzoek naar insecten. Ondanks dat zijn naam anders doet vermoeden, is het winterkoninkje alles behalve dol op de winter en koud weer. Sterker nog, veel winterkoninkjes overleven de koude winter zelfs niet. Dat kan ook bijna niet anders, want hij weegt maar ongeveer 9 gram en verliest in de winter gewicht door de kou. Zoals ik al eerder aangaf is het winterkoninkje één van de kleinste vogeltjes van ons land. Hij is maar 9 tot 10 centimeter groot en weegt maar zo’n 9 gram. Zijn kenmerkende omhoog staande staartje geeft hem een wat grappig uiterlijk. Hij is roodbruin van kleur met een lichte streep boven zijn oog. Ook heeft hij fijne donkerkleurige streepjes op zijn lijf. Het winterkoninkje heeft een spanwijdte van ongeveer 17 centimeter en vliegt met snelle vleugelslagen laag boven de grond. Hij vliegt driftig van struik naar struik en scharrelt als een muis over de grond op zoek naar voedsel. Hij heeft een kleine spitse snavel en dunne, fijne pootjes.
Het winterkoninkje kan zeer slecht tegen strenge winters. Bij koud weer zoeken de kleine vogeltjes elkaar op en blijven dicht bij elkaar om te schuilen en warm te blijven. Ook slapen ze op deze manier om warm te blijven. Meestal bestaat zo’n groepje van winterkoninkjes uit minder dan tien vogeltjes. Toch kunnen ze soms grotere groepen vormen. Het record staat tot nu toe op een groep van 61 vogeltjes.
Het Winterkoninkje komt niet alleen in Nederland veelvuldig voor, ook in de rest van Europa is de winterkoning een veel geziene bewoner. Behalve in het hoge noorden waar strenge winters heersen en het zelfs in de zomer niet al te warm is. Ondanks dat Nederland niet bekend staat om zijn milde winters vol zonneschijn en heerlijke temperaturen, blijft het winterkoninkje het hele jaar in ons land. Hij is dus een standvogel en vertrekt in de winter niet naar warmere oorden. Winterkoninkjes uit Scandinavië en het Oostzeegebied trekken ieder jaar over ons land op weg naar een warmer oord om te overwinteren. Zij vinden onze winters nog altijd te koud. Veel winterkoninkjes sterven dan ook in de winter vanwege de vorst en onvoldoende insecten om te eten. Toch blijft de populatie al jaren in stand en is het geen bedreigde vogelsoort. Dit komt omdat de winterkoning meerdere legsels per jaar heeft en meerdere eieren uitbroedt.
6. (10 december 2023): De pimpelmees is kleiner dan de koolmees en heeft een korte snavel. Het mannetje en vrouwtje zijn zo goed als gelijk en hebben beide een blauwe kruin met witte begrenzing. De bovenzijde is groenachtig en de onderzijde geel zonder zwarte streep. De pimpelmees heeft blauwe vleugels met een witte vleugelstreep. Het juveniel is op de kop groenachtig (dus niet blauw) en op de wang geelachtig.
Het is de enige kleine Europese vogel met een geel-blauw verenkleed. Hij is daardoor makkelijk te herkennen. Er wordt een grote intelligentie toegeschreven aan deze vogel, deels omdat hij in staat is om nieuwe voedselbronnen te vinden. Zodra er een nieuwe manier van voedsel gevonden is ontdekt, leren pimpelmezen snel van elkaar. De Pimpelmees valt hij op door zijn behendigheid met poten en snavel tijdens het eten. Pimpelmezen bouwen hun nesten in holle bomen, maar ze accepteren gemakkelijk nestkasten. Ze keren daar ook vaak terug. De soort is de meest frequente gebruiker van nestkasten in tuinen. Nadeel is wel dat de voorraad rupsen in een tuin minder is dan in een bos. Reden is dat er minder bomen in een tuin staan. Rupsen vormen het hoofdvoedsel voor het grootbrengen van jongen.
De Pimpelmees maakt een viltig nest van zachte plantendelen, wol, haren en veren. Hij nestelt in boomholen, gaten in muren en nestkasten. Soms wordt er op ongewone plaatsen genesteld zoals in brievenbussen. De pimpelmees broedt in april-juni met 1 à 2 broedsels. Per broedsel 5 tot 12 rood gevlekte, witte eieren.
7. (10 DECEMBER 2023): Dat roodborstjes je in de gaten houden bij het werken in de tuin, wist je misschien al. Dat ze dan niet al te schuw zijn, merk je snel. Maar is je gevederde tuinvriend wel zo lief als hij er uit ziet? En waarom tikt hij tegen je raam? We zetten 5 weetjes over dit beroemde zangvogeltje op een rij. “Roodborstje tikt tegen ‘t raam, tik, tik, tik. Laat mij erin. Laat mij erin.” Een regel uit een oud Nederlands kinderliedje, waarin een roodborst lijkt te smeken achter wat voedsel en warmte. Roodborsten tikken inderdaad soms tegen ramen. Niet uit voedselgebrek of koude. Wel uit agressie tegen de soortgenoot binnen hun territorium. Roodborsten herkennen hun eigen reflectie in het raam niet. Zij denken een indringer te zien. En vallen dus keer op keer hun spiegelbeeld aan, wat dikwijls verwonding of totale uitputting met zich meebrengt. Heb jij zo’n opgewonden roodborstje dat aan je raam tikt? Voorkom dan de weerspiegeling door bijvoorbeeld tijdelijk iets op het raam te plakken. Je hebt het vast al eens gezien: een rode flits, gevolgd door een tweede. Twee roodborsten verwikkeld in een territoriale strijd. Soms op leven en dood. Want in tegenstelling tot zijn vertederende uiterlijk is de roodborst een agressief vechtersbaasje. Hij gebruikt zijn oranjerode borst om indringers af te schrikken en aarzelt niet om fel aan te vallen. In alle seizoenen krijgt de roodborst onmiddellijk een rood waas voor de ogen bij het zien of horen van een soortgenoot. Deze indringer verjaagt hij onmiddellijk. Je zal dan ook zelden twee roodborsten samen aantreffen op je voedertafel.
Onder de roodborsten heb je stand- en trekvogels. Mannetjes zijn eerder standvastig en blijven meestal ‘thuis’ in eigen land. Ze markeren met hun luide zang een voedselgebied, waar ze de hele winter blijven. Vrouwtjes en jonge vogels trekken in het najaar naar het Zuiden (Frankrijk, Spanje, Portugal). De roodborsten op je voedertafel in de winter zijn echter vaak toeristen. Het zijn noordelijke Scandinavische wintergasten. Zij zoeken hun toevlucht in tuinen omdat vele geschikte (bos-) territoria reeds bezet zijn door inheemse roodborsten. Meestal is de roodborst in je wintertuin dus niet dezelfde als je zomerse vogelvriend. Naar het voorjaar toe wordt er weer verhuisd en barst de strijd om een nieuw territorium opnieuw los. Bij zangvogels geldt dat meestal enkel de mannetjes zingen. Roodborsten vormen hierop een uitzondering. Roodborst-vrouwtjes zingen ook, vooral in de herfst. Luidkeels laten beide seksen hun parelende zang, afgewisseld met hoge tonen, de lucht in schallen. Je kan hen horen van vroeg in de ochtend tot laat in de avond, zelfs als het (nog) donker is. Ze gebruiken hun zangtalent om hun territorium af te bakenen. Roodborsten zijn qua uiterlijk hetzelfde. Zo gebeurt het dat- in de broedtijd- een vrouwtje meestal eerst wordt aangevallen als ze in zijn territorium een lied komt zingen. Daarbij reageert zij minder agressief dan in de rest van het jaar. Eenmaal hij daardoor zijn vergissing ingezien heeft, maakt hij haar attent het hof en beantwoordt haar bedelgedrag met lekkere hapjes.
8. (15 juni 2025) Kneu: Het is misschien wel een van onze gezelligste zangvogeltjes: de altijd vrolijke kneu. Vanaf begin april keren ze weer terug uit het zuiden en zijn dan meteen gezellig aanwezig in het land. Ze kwetteren onderling heel wat af, en vliegen en broeden het liefst in knusse groepjes bij elkaar.
Kneuen kennen een ruime verspreiding over het land. Maar hoge aantallen zijn schaars. In de duinen van Zeeland tot en met de Waddeneilanden zie en hoor je ze het meest. Kneuen vinden daar volop doornige struiken zoals duindoorn, meidoorn en braam om in te broeden. Ze broeden vaak half-kolonievormig en zoeken hun voedsel buiten de territoria in de soortenrijke begroeiing in de omgeving. Ze vliegen daar soms flinke stukken voor uit de buurt.
Kneuen zijn vaak te zien in groepjes, waarbij de vogels er lekker op los kwetteren. Een man kneu in prachtkleed is bijzonder mooi. Heeft een fraaie karmijnrode borst en ‘baret’. Vrouwtjes en onvolwassen vogels hebben een zwak gestreepte borst en kruin en hebben geen rood in het verenkleed. Hun snavel is kegelvormig, waarmee ze vooral de zaden eten van kruiden en grassen. Wilde soorten, maar ook cultuurgewassen zoals koolzaad, mosterdzaad en lijnzaad. Vroeg in de lente zijn vogelmuur, veldkers, vroegeling en varkensgras belangrijke voedselbronnen, later ook paardenbloem, brandnetel, distel en kaardenbol. Ook de nestjongen eten uitsluitend zaden.
Vanaf april keert de kneu terug uit zuidwest-Europa, waar ze overwinterd hebben. Vanaf half april gaan ze broeden. Ze hebben twee tot drie broedsels per jaar met meestal 4-6 eieren. De broedduur is 12-13 dagen. Hun nest bouwen ze vaak in laag en middelhoog struweel met uitstekende takken, liefst in doornige struiken, niet te dicht en niet te open. Ze broeden graag in semi-koloniaal verband. Ze zijn niet erg territoriaal, soms meerdere nesten in een struik. De jongen zitten 12-17 dagen op het nest. Na het uitvliegen krijgen ze nog een tijdje begeleiding van de ouders.
Het talrijkst zijn kneuen in de duinen en in akkerbouwgebieden met hagen, maar ze broeden ook op plekken met jonge aanplant, oude struikheide met opslag en soms stedelijke bebouwing (tuinen, jonge groenvoorziening). Vanaf juli vormen zich groepen op voedselrijke plekken. Na het broedseizoen vanaf half september begint de najaarstrek tot eind oktober met een piek rond half oktober. De voorjaarstrek begint ongeveer half maart en loopt tot begin mei, met een piek rond half april.
9. (20 december 2025) goudhaantje: Klein, mosgroen vogeltje met een opvallende gele kruinstreep met zwarte zijbanen. Wat ook opvalt, is het zwarte kraaloog in een witgrijs gezicht. Ze vliegen vaak rusteloos door het (naald)bos, af en toe stilhangend. Het mannetje kenmerkt zich door een duidelijke felle oranje veeg in de gele kruinstreep. De goudhaan is Europa’s kleinste vogel. Van snavel tot staartpunt meet hij slechts 9 cm, en ze wegen vaak niet meer dan 5 gram! Het is een zangvogel die vooral te vinden is in naaldbossen met lariksen en sparren. Ook al komen er grote aantallen goudhaantjes voor in ons land, ze worden in de broedtijd niet vaak gezien. Ze leven namelijk vooral in de toppen van naaldbomen. Ze leven in groepjes en trekken vaak op met mezen. Goudhaantjes kunnen ontzettend tam zijn en vooral in de trektijd als er duizenden in ons land neerstrijken, zijn ze zo met voedsel zoeken bezig dat je ze soms bijna aan kunt raken.
Goudhaantjes hebben een voorkeur voor naaldbos, in het bijzonder sparrenbos. De dichtheden zijn dan ook het hoogst waar veel sparrenbos te vinden is, zoals op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en in Drenthe. Broedt hier in een komvormig nest dat met haren en veertjes is bekleed van april tot juni. In twee legsels worden elk 7-13 eieren gelegd. Na 14-17 dagen komen de eieren uit, nog 17-22 dagen later kunnen de jongen vliegen. Hierna worden de jongen nog 12-18 dagen door de ouders gevoed.
Naaldbos, in het bijzonder sparrenbos. Echter in de trektijd en in de winter zijn goudhaantjes minder kieskeurig en kunnen ze opduiken in elk willekeurig bosje, zeker als ze moe zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine insecten zoals bladluizen, kleine motten en kleine spinnetjes.
Hoofdzakelijk trekvogel, maar populaties verschuiven, zodat je ze wel het hele jaar kunt zien. Alleen in Noord-Scandinavië vertrekken alle goudhanen in de winter. De Waddeneilanden kunnen in het najaar overspoeld raken met goudhanen. In een klein struikje zitten dan soms wel tien tot vijftien goudhaantjes. De soort heeft twee grote trekroutes: één zuidwest langs de kust van Noorwegen, Denemarken en Nederland richting West- en Zuid-Europa, de ander oost van Scandinavië en de Baltische staten naar Polen en tot in de Balkan; overwintert in grote delen van Zuid-Europa inclusief de Mediterrane eilanden, maar bereikt bijna nooit Afrika. Nachttrekker. Najaarstrek september-november, voorjaarstrek maart-april.
10. (28 maart 2026): Staartmezen zijn klein (14 cm), hebben een wit, bol kopje en een donkere rug met rozige flanken. De vleugels hebben een roodbruine aanzet. Ze hebben roodoranje oogringen die vervagen met de leeftijd. Boven de ogen vertrekt een brede zwarte kruinstreep richting de wangen. Het opvallendste en herkenbaarste is de smalle zwarte staart, die langer is dan het lijf. De staartmees behoort tot de familie van de mezen. Het leefgebied van de staartmees bestaat uit tuinen en parken, maar ook uit andere landschappen zoals bossen, heide- en rivierlandschappen, begraafplaatsen en structuurrijke groene zones. De staartmees komt vooral voor in gebieden met voldoende bomen en voldoende ondergroei van struiken en takken. Afwisseling in het leefgebied, met een mix van dekking en open ruimtes, is essentieel voor deze soort.
In het najaar en de winter duiken soms ineens grote groepen witkoppige staartmezen op, een ondersoort van de staartmees met een opvallend wit kopje en een scherp afgetekende nekband. Deze ondersoort verschijnt vaak op een invasie plaats, vooral in het westen van Nederland, wanneer ze vanuit Scandinavië en Polen komen foerageren. Zulke invasies komen vooral voor na milde winters, wanneer veel broedparen flink aan de leg gaan. Vanuit voedselschaarste trekken de witkopjes dan westwaarts. De staartmees onderscheidt zich duidelijk van de witkopstaartmees door zijn zwarte zijkruinstreep, die bij de witkopjes ontbreekt. Verwarrend genoeg komen er ook gewone staartmezen voor met een volledig witte kop. Het soort lijkt soms toe te nemen, maar dit komt vooral door deze invasies. Bij een witkopstaartmees ontbreekt de zwarte zijstreep op de kop. Staartmezen zijn echte acrobaten en hangen vaak op de kop aan de dunste takjes, hier etend van rottend fruit.
Vaak zie je de kleine vogeltjes ondersteboven aan dunne twijgen hangen, op zoek naar voedsel zoals insecten en rupsen. Grote kans dat ze dan een rupsje of klein insect in het vizier hebben. Ze zijn dol op spinnen. In het najaar en de winter zoeken staartmezen hun voedsel ook op planten, waarbij ze hun puntige snavels in zaden van takken en in rottend fruit of bessen steken. Plantaardig materiaal speelt zo niet alleen een rol als bouwmateriaal voor het nest, maar ook als bron van voedsel en foerageerplek.
Staartmezen worden steeds zeldzamer. De staartmees is een broedvogel in Nederland en staat op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten. De vogel wordt in heel Nederland gezien, maar komt sinds 1990 steeds minder vaak voor. Het aantal broedparen wordt geschat op 34.000.
Staartmezen, zowel de mannetjes als vrouwtjes, zijn goede architecten. In twee tot drie weken tijd bouwen ze een kunstig, ovaal nest dat zorgvuldig is gemaakt van mos, korstmos, spinrag en berkenbast. Het nest heeft een kenmerkende zij ingang, waardoor het ontwerp extra bijzonder is. De binnenkant wordt zacht afgewerkt met wol, mos en veren. Staartmezen broeden heel zorgvuldig en verstoppen hun nest goed; het kan zich laag bij de grond bevinden in dicht struikgewas, maar ook boven in een den. Het nest van de staartmees is een kunstwerk van korstmos, mos, spinrag en veren, gemaakt met oog voor detail en voorzien van een handige zij ingang.
De broedtijd van de staartmees loopt van eind maart tot mei. Een legsel bevat tussen de acht en twaalf eitjes. Na een kleine twee weken kruipen de kuikens uit het ei, om twintig dagen later uit te vliegen. De ouders zijn daarna nog twee weken druk met het voeren van de kleintjes. Bijzonder is dat de ouders vaak hulp krijgen van groepsgenoten bij het grootbrengen van de jongen. Meestal zijn dat broers van de mannetjes die zelf een mislukt broedsel hadden. Op die manier helpen ze de andere kleintjes overleven. Partnerruil komt overigens ook geregeld voor onder deze vogels. Een legsel kan maar zo zijn verwekt door de buurman. Die neemt dan wel zijn verantwoordelijkheid en helpt het vrouwtje met de verzorging.
Staartmezen zijn standvogels, er is geen seizoenstrek. Zij blijven altijd in de buurt van de plaats waar ze ter wereld zijn gekomen, in de winter zwerven zij hier tot op enkele kilometers afstand omheen.
11. (30 april 2026) Tjiftjaf: De naam ontlenen de vogels aan hun zang, die klinkt als tjif-tjaf. De fitis en de tjiftjaf zijn tweelingsoorten en beide insecteneters met een dunne fijne snavel. Ze zijn zeer beweeglijk en vertonen onrustig gedrag. De tjiftjaf lijkt qua uiterlijk erg op de fitis, maar meestal hebben tjiftjaffen donkere poten, terwijl fitissen over het algemeen lichte poten hebben. Fitis en tjiftjaf zijn eenvoudig te onderscheiden door hun onderling verschillende zang. Het verenkleed is olijfgroen tot bruin en bestaat uit een vuilwitte tot geelwitte onderzijde en zwartbruine poten. De tjiftjaf is net als de fitis zo'n 11 cm groot.
De tjiftjaf heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op de status kwetsbaar (voor uitsterven) uiterst gering. De grootte van de populatie wordt geschat op aantallen die lopen in de honderden miljoen. De aantallen gaan mogelijk nog vooruit. Om deze redenen staat de tjiftjaf als niet bedreigd op de Rode Lijst van de IUCN.
Het is een algemene en veelvuldig voorkomende broedvogel in zowel Nederland als België, waar de populatie een toenemende trend laat zien. Hoewel de meeste inheemse vogels wegtrekken, blijven er in beide landen steeds vaker vogels overwinteren, vooral wanneer de winters mild zijn.
Hij leeft wereldwijd in een verscheidenheid aan beboste gebieden. Voor het broeden kiest hij bij voorkeur open of gemengde bossen met een combinatie van hoge bomen en een dichte ondergroei. De ideale broedplaatsen bestaan uit bomen van minstens vijf meter hoog met een ondergroei van bijvoorbeeld gras en brandnetels. Hij wordt vaak aangetroffen in cultuurlandschappen, zoals parken, grote tuinen en houtwallen. Buiten het broedseizoen en tijdens de migratie is de vogel minder veeleisend. Hij maakt dan gebruik van een nog bredere variatie aan leefgebieden, zoals struikgewasgebieden, wilgenbossen en gebieden dicht bij water. De soort is uiterst flexibel en kan zich aanpassen aan een leefomgeving vanaf zeeniveau tot een hoogte van 3300 meter.
Met een lengte van slechts 10 tot 12 centimeter behoort hij tot de kleinere zangvogels. Het mannetje weegt doorgaans 7 tot 8 gram, terwijl het vrouwtje iets lichter is met een gewicht van 6 tot 7 gram. De vleugelspanwijdte van deze vogel ligt tussen de 15 en 21 cm. De vogel heeft donkere poten, een kenmerk dat hem onderscheidt van de nauw verwante fitis. Zijn smalle, donkere snavel is perfect geschikt voor het vangen van insecten, en de vleugelpunt, het deel van de handpennen dat voorbij de gevouwen vleugel uitsteekt, is relatief kort.
Hij jaagt actief op allerlei ongewervelden, zoals muggen, vliegen en rupsen. Vaak grijpt hij zijn prooi van de onderkant van bladeren, maar hij kan ze ook vangen tijdens korte, snelle uitvallen in de lucht. In de wintermaanden vult hij zijn dieet aan met plantaardig voedsel, zoals zaden en bessen, vooral wanneer er weinig insecten te vinden zijn. In wetlandgebieden, waar overwinterende tjiftjaffen vaak worden waargenomen, bestaat het grootste deel van zijn winterdieet uit de larven van dansmuggen, die hij uit de vegetatie plukt. Hij is niet kieskeurig en eet ook de eieren en larven van insecten, wat in het vroege voorjaar essentieel is voor het voeren van de jongen in het nest.De tjiftjaf is een trekvogel die voor zijn lange reis een aanzienlijke vetreserve moet opbouwen. In de herfst is hij bijna constant aan het foerageren om dagelijks ongeveer een derde van zijn lichaamsgewicht aan insecten te eten. Het is een van de kleinste inheemse vogels en hij weegt slechts 6 tot 10 gram. Ondanks zijn geringe grootte kan hij tijdens zijn trektocht naar de wintergebieden in Zuid-Europa, Noord-Afrika of zelfs Sub-Sahara Afrika duizenden kilometers afleggen. Hoewel de meeste tjiftjaffen trekvogels zijn, blijven er in West-Europa, met name in het Verenigd Koninkrijk en langs de zuidelijke kustgebieden, steeds meer vogels overwinteren. Men neemt aan dat hij profiteert van het opwarmende klimaat en een grotere beschikbaarheid van voedsel in de winter. Voor zo’n klein zangvogeltje heeft hij een aanzienlijke levensduur. Het oudst geregistreerde individu bereikte een leeftijd van meer dan zeven jaar.
Maak jouw eigen website met JouwWeb