Vliegveld Bergen was een militair vliegveld ten zuiden van Bergen (Noord-Holland). Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd het, om redenen van landsbelang, op 17 juli 1939 in gebruik genomen. Bijna 2 jaar daarvoor was aangekondigd dat de aanleg in de Bergermeer zou plaatsvinden. Dit was een drassig gebied waarin voor de afwatering een gemaal werd gebouwd.[ Dit staat verdekt opgesteld in de dijk bij de Bergerringsloot. Vanwege de slechte werking van dit gemaal liepen vliegtuigen vaak vast in de zachte bodem. Het drassige terrein vereiste hoge kosten om het tot volwaardig vliegveld te maken en dus werd door het Department van Oorlog besloten slechts een betonnen platform voor de hangars te installeren. Het vliegveld Bergen bestond van 1937 tot 1944.
De waterberging verbetert de waterhuishouding van de Bergermeer, de Damlander- en Philisteinsepolder. In tijden van extreme neerslag kan tijdelijk overtollig water opgeslagen worden in de berging. Hiermee verkleint de kans op wateroverlast. De waterberging stroomt alleen bij zeer extreme regenval voor enkele dagen vol, de rest van de tijd staat de waterberging droog en maakt deel uit van het natuurgebied.
In het gebied is er ook een ringsloot met natuurvriendelijke oevers aangelegd. Daarnaast is de grond verschraald, waardoor een bloemrijk weidegebied is ontstaan. Hier profiteren orchideeën en andere bijzondere planten van, maar ook bijvoorbeeld grutto's en tureluurs. Dit versterkt het Noord-Hollandse natuurnetwerk langs de duinen.
INDEX
1. Rietzanger
2. Kleine Karekiet
3. Graspieper
4. Fitis
5. Grutto
6. Meerkoet
7. Grutto
1. (26 juni 2022) Rietzanger:
2. (26 juni 2022) Kleine Karekiet:
3. (26 juni 2022) Graspieper:
4. (18 april 2024) Fitis: Veel men zullen in het vroege voorjaar bij het horen van de melodieuze zang van de fitis het gevoel hebben dat de lente toch echt gaat beginnen. Vooral bij zacht weer kunnen al vroeg fitissen waargenomen worden.
De fitis is niet kieskeurig. Dit geelbruine vogeltje bewoont een breed scala aan leefgebieden, van nat tot droog. Het meest geschikt zijn gebieden met een niet te dichte struiklaag en een dichte, grasrijke kruid laag, deels zonnig gelegen.
De fitis bouwt zijn nest op de grond tussen grassen en kruiden, waarbij een open stuk voor de struiken noodzakelijk is. Grashalmen vormen het belangrijkste bouwmateriaal voor het nest. Meer overgangen tussen bosjes en open terrein in een gebied betekent dat er meer fitissen voorkomen.
Gebieden met hoog opgaand geboomte zijn minder geschikt voor de fitis.
De fitis komt niet voor in een landelijk gebied. In stadsparken komt de fitis alleen voor als doortrekker. Er is daar te weinig onder begroeiing om tot broeden te komen.
In de jaren zeventig nam de fitis in de Randstad toe door de opslag van struiken en bosaanplant
5. (18 april 2024): De grutto komt vooral voor in Europa en delen van Rusland en is een van Europa’s grotere waadvogels die te herkennen is aan zijn lange nek, met name lange poten en lange, rechte, fijnpuntige snavel. Het volwassen vrouwtje is groter en zwaarder dan het mannetje met een langere snavel. Zomerkleed van volwassen vogels is een opvallende rufous tot koperrode kleur op de borst, het hoofd en de nek met het volwassen mannetje dat een helderder en breder kleurgebied vertoont. De flanken hebben zwarte balken en de bovenste vleugels zijn zwart met een brede witte vleugelbalk en zwarte staart. De romp is wit, net als de bovenste staartdeksels die het uiterlijk geven van een brede witte streep over de bovenkant van de bovenste staart. Het ondervleugelgebied is overwegend lichtgrijs tot wit. In het winterkleed zijn de bovendelen en het borstgebied bruingrijs en de vleugels vergelijkbaar met de broedkleur en -patroon. Terwijl de snavel zwart getipt is en in de zomer een oranjeroze kleur heeft, is hij in de winter vooral roze zonder donkere punt. De poten blijven het hele jaar door donkergrijs tot zwart. Jonge vogels zijn vergelijkbaar met het volwassen winterkleed, hoewel iets donkerder over de bovenste delen met een buff-schaduw op de borst.
Met behulp van hun lange snavels als sondes eten grutto’s een verscheidenheid aan insecten en insectenlarven, weekdieren, paai- en kikkervisjes, zaden, bessen en rijst; de laatste is een hoofdbestanddeel bij het overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara.
Ook vaak aangeduid als een kustvogel geven deze steltlopers de voorkeur aan habitats zoals moerassen, moerassen, vochtige weiden, moerassen, reservoirs, modderige estuaria en zoetwatermeren in het binnenland. Hoewel gemakkelijk herkenbaar als een van de grotere grutto’s, kunnen ze nog steeds worden aangezien voor de Rosse Grutto die qua grootte en winterkleed vergelijkbaar is. De brede witte vleugelbalken, zwarte staart en lange achterpoten tijdens de vlucht helpen echter bij een positieve identificatie.
Grutto’s zijn over het algemeen monogaam. Nesten worden op de grond gebouwd uit een ondiepe schraap, normaal gesproken omgeven door dikke vegetatie die vaak als camouflage wordt gebruikt. Eén broedsel van 3 – 6 licht olijfgroene eieren, wordt jaarlijks gelegd tussen mei en juli en gemiddeld drie weken door beide ouders bebroed. Vluchten vindt plaats van vijfentwintig tot dertig dagen later.
De gemiddelde levensverwachting ligt tussen de tien en vijftien jaar.
6. (12 mei 2025) Meerkoet: Er is bijna geen park, kanaal of sloot in Nederland zonder meerkoeten. Zoet water met wat oevervegetatie is genoeg. De aantallen in Laag Nederland zijn het grootst. Tijdens het broedseizoen verdedigen deze zwarte vogels hun territorium fel tegen indringers.
Heeft een (zelden twee); max. drie vervolglegsels per broedseizoen. Eileg van half maart tot in juli, met piek eind april en in mei. Meestal 5-10 eieren. Broedduur: 21-25 dagen. Broedt meestal in de buurt van andere meerkoeten, die fel bevochten worden om de beste plek. Maar meerkoeten broeden ook wel onbeschut op een drijvend nest. Nesten meestal van riet en wortels, gebruikt in de stad ook allerlei afval. De jongen verlaten het nest meteen en kunnen na zo'n 56 dagen vliegen. Worden in het begin gevoerd door de ouders.
Broedt meestal in oevervegetatie van zoet water. Meerkoeten zoeken hun voedsel op en rond het water. Van oorsprong zijn meerkoeten echte moerasvogels, met poten die bijzonder geschikt zijn om te lopen op drijvende vegetatie (kraggen) en wortels van riet- en lismoerassen. Maar is eigenlijk overal te vinden waar zoet water is: beken en meren, moeras, oevers, park en tuin, plassen, rietland en ruigte, rivieren, stedelijk gebied en (verlandende) vennen. Vooral gebieden met een flinke oeverbegroeiing zijn populair, hoewel de soort zich ook kan redden in vaarten met een beschoeiing en nauwelijks waterplanten. In de winter kunnen groepen - die kunnen bestaan uit vele honderden vogels - in weilanden verblijven.
Meerkoeten eten vooral waterplanten, maar zeker wanneer er jongen zijn worden ook allerlei waterdieren, zoals slakken en visjes, gevoerd en gegeten. Ze eten ook gras. Meerkoeten duiken vaak naar voedsel. Door de grote hoeveelheid lucht in hun verenkleed moeten ze moeite doen om onder water te komen; ze maken een sprongetje bij het duiken en zetten zich met hun poten af. Kort daarop komen ze als een grote dobber weer naar boven.
Meerkoeten die in Nederland broeden, brengen de winter meestal ook in Nederland door. Een deel trekt weg naar Spanje en Portugal. In Nederland overwinteren ook veel meerkoeten uit noordoostelijke streken. In het najaar verzamelen zich tienduizenden meerkoeten op het Veluwemeer en het Markermeer, op zoek naar waterplanten. Later meer verspreid. Trekt 's nachts en solitair en is in het voorjaar dan soms te horen.
7. (20 mei 2025) Grutto: Geen vogel is meer Nederlands dan de grutto, hij is dan ook de nationale vogel van Nederland. Z’n bijnaam is ook wel ‘Koning van de weide’. Hij dankt deze bijnaam aan z’n statige voorkomen, wellicht ook z’n oranje kleur en de manier waarop hij z’n jongen beschermt. In het voorjaar, als de grutto’s zich verzamelen in plas-dras gebieden, kun je ook de IJslandse ondersoort tegenkomen.
41 cm. Verschilt van rosse grutto door langere rechte snavel, langere poten die duidelijk buiten staart uitsteken in vlucht, witte staart met brede zwarte eindband, brede witte vleugelstreep en slankere lichaam. In zomerkleed kop en borst kastanjebruin, flanken en buik wit, bovendelen rossigbruin en grijs met verspreide zwarte veren. Ondersoort de IJslandse Grutto uit Noord-Noorwegen en Noord-Schotland zijn kleiner met kortere snavel en poten en donkerder rossige kleur loopt verder op flanken en buik door. Lijkt ook in winterkleed wat op rosse grutto, behalve in vlucht. Juveniel met isabelkleurige nek en borst en met bruin geschubde bovendelen.
Broedt in Europa en Rusland. Ontbreekt in Zuid-Europa en Scandinavië. Is trekvogel. In Nederland talrijke broedvogel, wegtrekkend.
Broedt in vochtige weilanden en natte venen.
Het voedsel bestaat uit ongewervelden in de zomer, waaronder veel regenwormen; in winter ook zaden zoals rijst.
Aantal eieren in legsel meestal 4, soms 3-5. Buikig tot ovaal of peervormig. Glad en enigszins glanzend. Lichtgroen of olijf, tot dieper groen, olijf of geelbruin.
Maak jouw eigen website met JouwWeb