Oude wadgeul nu natuurgebied en waterberging

Het meest opvallende fenomeen in het Kruiszwin is de zeer sterke kwel van zout grondwater. Zilte tot brakke omstandigheden zijn een zeldzaamheid geworden. Er komen riet- en graslanden voor met veel brakke soorten, waaronder zulte, zilte rus, zilte schijnspurrie, aardbeiklaver en stomp kweldergras. Deze bijzondere vegetatie maakt het Kruiszwin tot een spannend wandelgebied waar altijd veel te zien is. Het gebied heeft ook waterberging als functie. Bij hevige regenval lopen de laagste delen onder water. Dit voorkomt wateroverlast in de rest van de polder. De verwachting is dat dit één keer in de vijf jaar gebeurt. In het gebied zijn sinds het voorjaar van 2015 twee ijsvogelwanden die vanaf een bruggetje zijn te zien.

Tot in de 19e eeuw was de huidige Kop van Noord-Holland een waddengebied. Het Kruiszwin werd indertijd omgeven door kwelders en slikken. Na inpoldering veranderde de omgeving langzaam in bollenland, maar in het Kruiszwin zelf komen nog steeds brakke levensgemeenschappen voor. Een unieke situatie.

De de inpolderingen van de Waddenzee is de huidige Kop van Noord-Holland ontstaan. Met de inpoldering van 1846 ontstond de Anna Paulownapolder waar het Kruiszwin in ligt. De geschiedenis van het oude wad krekensysteem is ook na inpoldering nog steeds goed uit het landschap af te lezen. Het Kruiszwin bijvoorbeeld, maakte onderdeel uit van het grote wad krekensysteem dat vervolgens via het Lage Oude Veer uitmondde in de Waddenzee.

Deze bijzondere situatie in het Kruiszwin biedt ook grote kansen voor de verdere ontwikkeling van brakke tot zoute levensgemeenschappen. Door middel van een natuurontwikkelingsproject worden bollenvelden in de directe omgeving omgevormd tot zilte grasland- en moerasvegetaties.

Index

1. Kraai

2. Kauw

3. Gele Kwikstaart

4. Bruine Kiekendief

5. Kleine Karekiet

6. Rietgors

7. Rietzanger

8.Temmincks strandloper

9. Puttertje

10. Grutto

11. Brandgans

12. Tureluur

13. Blauwborst

1. (11 juni 2023) Kraai: Kraaien leven meer solitair dan roeken en kauwen. Het zijn intelligente vogels die zich makkelijk aanpassen aan verschillende diëten; ze zijn van alle markten thuis maar wel vrij schuw en duidelijk moeilijker te benaderen dan kauwen. In kleine tuinen zul je ze niet vaak zien. Ze eten o.a. wormen, insecten, fruit, zaden, keukenafval, eieren en jonge vogels. Ze foerageren meestal in paren, meer zelden in wat grotere groepen, vooral op weide- en akkerbouwland, niet in dichtbegroeid landschap. Je ziet ze ook geregeld pikken aan doodgereden dieren langs de rand van de snelweg. Kraaien hebben een slechte reputatie als jagers van kleine vogeltjes en nestenuithalers en werden om die reden in het verleden vaak genadeloos vervolgd. Om die reden is de zwarte kraai schuw tegenover mensen. De jacht op de zwarte kraai is door de invoering van de Flora-en Faunawet sinds 1 april 2002 gesloten. Echter doordat is gebleken dat de kraai het gehele jaar door belangrijke schade aanricht geldt er vanaf 1 april 2004 nu voor geheel Nederland, een algehele vrijstelling.

Het is een talrijke broedvogel in West- en Zuidwest Europa in open- en half-open landschappen. Er wordt gebroed in losse paren in bosschages, cultuurlandschap, bosranden, parken en steden.

Het voedsel van de zwarte kraai bestaat zowel uit plantaardig als dierlijk, en is een feite een alleseter. Ook op vuilnisbelten, bij maïskuilen en kleine verkeersslachtoffers zien we vaak zwarte kraaien. De zwarte kraai is 44 tot 51 cm groot en weegt 540 tot 600 gram. Een kraai kan wel 29 jaar worden.

De broetijd is Maart-Juni. Er wordt een groot stevig nest gebouwd van takken en aarde, vaak hoog in de bomen. De 4-7 eieren worden ongeveer 18 dagen bebroed. Beide ouders voeren de jongen, die na 28-35 dagen uitvliegen.

2 (11 juni 2023) Kauw: Bij het zoeken naar een geschikte habitat zoeken kauwen naar twee dingen: Brede, open ruimtes waar ze naar voedsel kunnen zoeken, en grotachtige structuren waar ze hun nesten kunnen bouwen. Daarom bewonen ze graag landbouwgrond en weilanden in de buurt van nederzettingen, maar ook steengroeven of steden met voldoende grote groene ruimten. Zoals de meeste kraaien zijn kauwen herkenbaar aan hun zwarte verenkleed. Ze zijn echter kleiner dan de meeste van hun verwanten en zijn ongeveer zo groot als een duif. Ze zijn ook gemakkelijk te herkennen aan hun blauwgrijze nek en helder lichtblauwe ogen. Mannelijke en vrouwelijke kauwen zijn niet louter visueel van elkaar te onderscheiden.

Kauwen zijn uitgesproken holenbroeders. Ze nestelen van nature in spleten en nissen in rotsen, maar tegenwoordig gebruiken ze vooral oude gebouwen en maken ze gaten in gevels en schoorstenen tot hun eigen nest. Maar ze maken ook graag gebruik van natuurlijke boomholten, zoals takgaten of oude spechtenholten, en van nestkasten. Beide geslachten zorgen voor de nestbouw en soms helpen zelfs ongepaarde jonge vogels van het vorige jaar mee. Kauwen zijn ongeveer 33 tot 34 cm groot Het gewicht is 250 gram. Het broedseizoen is van april tot juni. Een Kauw kan wel 20 jaar worden.

Kauwen leggen lichtblauwe eieren van ongeveer 3 centimeter groot, bedekt met donkere vlekken. Meestal worden er vier tot zes eieren in een nest gelegd. Het nest zelf bevindt zich in een holte en is gemaakt van kleine stokjes, stukjes schors, andere plantenvezels, haar en aarde.

Het broedseizoen van kauwen begint in april. Na het leggen van de eieren is het de taak van het vrouwtje om ze tot 20 dagen uit te broeden. Gedurende deze tijd wordt ze door het mannetje van voedsel voorzien. De pas uitgekomen jonge vogels worden vier tot vijf weken in het nest gevoed en worden even lang na het verlaten van het nest door hun ouders ondersteund bij het zoeken naar voedsel. Het broedseizoen van kauwen eindigt in juni en er volgt geen tweede broedsel. Kauwen hebben ook monogame huwelijken en de meeste paren blijven levenslang bij elkaar.

De meeste van onze inheemse kauwen brengen het hele jaar door in Duitsland. Slechts enkele populaties verlaten hun broedgebied en trekken over kortere afstanden naar het zuiden of zuidwesten. In feite hebben we in de winter een overschot aan kauwen, omdat de dieren uit Noord-Europa vaak ontsnappen aan de vrieskou van hun thuisland en bij ons overwinteren.

Hoe de natuur van slechte grond iets mooi kan maken, is te zien bij Anna-Paulowna, langs de N249. Het land hier wilde nooit deugen voor landbouw, want het zat vol met zoute kwel. Dit is niet zo verwonderlijk, omdat er vroeger een wad kreek heeft gestroomd. Een kromme sloot, de Kruiszwin, is daar nog een restje van.

3. (11 juni 2023) Gele Kwikstaart:  De gele kwikstaart is met zijn felgele verenkleed een vrolijke verschijning. De mannetjes hebben een duidelijk gele borst en buik in prachtkleed. De blauwgrijze kop met brede witte wenkbrauwstreep is karakteristiek. De snavel is spits. Typisch is de op en neer ‘kwikkende’ staart. Gele kwikstaart: Leeft vooral in open gebieden zoals graslanden, weiden, akkers en moerassige gebieden. 

De Gele kwikstaart is vaak te vinden in een groep, vooral tijdens de trek of in open landschap. Loopt en rent veel over de grond. De Gele kwikstaartnis een veelvoorkomende zomervogel die in de winter wegtrekt naar Afrika.

4. (11 juni 2023) Bruine Kiekendief...man: 

Van de kiekendieven die in Nederland voorkomen, is de bruine kiekendief verreweg de algemeenste. Hij is een echte moerasvogel, met een voorkeur voor rietland. 

 De Bruine Kiekendief heeft lange gele poten en houdt zijn vleugels tijdens trage jachtvlucht in opvallende V. 

Volwassen mannetjes hebben opvallende zwarte vleugelpunten, grijs in de vleugels en een grijze staart. Vrouwtjes groter, geheel bruin met een roomwitte kruin, keel en vleugelboeg.

5. (11 juni 2023): De kleine karekiet is een kleine zangvogel die bekend staat om zijn opvallende zang en fragiele verschijning. Deze vogel broedt in rietmoerassen en ander drassig gebied en is daardoor afhankelijk van natuurlijke waterbronnen.

De kleine karekiet is een kleine zangvogel. Deze vogel is ongeveer 12,5 cm groot en weegt ongeveer 12 g. De kleine karekiet heeft een bruine rug en nek, een grijze kop en een witte buik. Mannetjes en vrouwtjes lijken op elkaar, maar mannetjes kunnen worden herkend aan hun iets grotere formaat en iets rodere ogen.

De kleine karekiet broedt tussen mei en augustus en bouwt zijn nest in rietveldjes of andere drassige gebieden. Het nest is een bolvormige constructie van riet, gras en bladeren, die meestal op een lage hoogte boven de grond wordt gebouwd. Het vrouwtje legt 4 tot 6 eieren, die na 12 tot 14 dagen uitkomen. Beide ouders nemen deel aan de incubatie en het voeren van de jongen, die na ongeveer 10 dagen kunnen uitvliegen. De kleine karekiet leeft in rietvelden, moerassen en andere drassige omgevingen in Europa, Azië en Afrika. Deze vogel is vooral aanwezig in Centraal- en West-Europa, waar hij het meest voorkomt in landen zoals Nederland, Duitsland en Frankrijk. De kleine karekiet is een trekvogel en brengt de winter door in Afrika, ten zuiden van de Sahara.

6. (12 april 2024) Rietgors: Het mannetje is in het voorjaar en in de zomer duidelijk herkenbaar aan zijn pikzwarte kop, keel en boven borst, een witte 'sjaal' en een vaalbruine rug met zwarte strepen. De vuilwitte onderzijde heeft een lichtgrijs gestreepte stuit. De flanken bevatten zwartrode strepen. De staart is bruinzwart met wit. Het vrouwtje is bruin met een geelbruine onderzijde. Boven de ogen heeft ze een lichte oogstreep, verder zwart-witte baardstrepen en strepen op de stuit, borst en flanken.

Vanaf een boom of struik in het rietland zingt hij zijn lied. Het voedsel bestaat uit slakken, rupsen en kevers, in de winter zaden.

Het legsel bestaat uit drie tot vijf grijsblauwe tot roodbruine eieren en zwartbruine stippen, in een goed verborgen nest op de grond of in de struiken.

De rietgors is een talrijke broedvogel in de laag gelegen delen van Nederland. Tussen de jaren 1979 en 1985 waren er 79.000 tot 85.000 broedparen.Volgens SOVON steeg dit aantal significant in de periode 1990-2007. Rond 2007 broedden er mogelijk 100.000 paar in Nederland. De soort staat niet op de Nederlandse Rode Lijst. Heel anders is de situatie in Vlaanderen. De rietgors staat daar op de Vlaamse Rode Lijst als bedreigd. De gors staat als niet bedreigd op de internationale Rode Lijst van de IUCN.

7. (12 April 2024): De rietzanger laat zijn uitbundige krassigere zang veelvuldig horen nadat ze in april terugkeren uit hun overwinteringsgebieden. De zang combineert de rietzanger vaak met een kenmerkende baltsvlucht.

Zijn naam verraadt waar je hem moet zoeken. Een rietzanger is een echte rietvogel en het is niet alleen zijn leefgebied, het is ook zijn broedgebied. Hij is in alle soorten riet te vinden als het maar in combinatie met water is. Je kunt dan denken aan natte duinvalleien, uitgestrekte natte rietvelden met een combinatie van oud en jong riet en moerasgebieden met overjarig riet. Het nest wordt laag in het dichte riet dichtbij de grond gebouwd. Deze maand arriveren de rietzangers en aangekomen in de broedgebieden beginnen ze ook direct met zingen. Ze nemen hun territorium in en naarmate het broedseizoen nadert kunnen ze hele dagen vrijwel onafgebroken zingen. Als het weer een beetje gunstig is, maken ze een korte baltsvlucht zien en laten dan hun krassende zang horen.

De rietzanger is goed te herkennen aan de zeer brede en opvallende wenkbrauwstreep. De middenkruin van de donker gekleurde kop is wat lichter en wat grijzer gekleurd maar valt niet altijd goed op. De teugel, het streepje tussen snavelbasis en oog, is donker gekleurd. De sterk getekende vleugels vallen op en het streeppatroon is ook veel duidelijk zichtbaar dan de wat vager gestreepte bovendelen. De rietzanger heeft een vrij lange en spitse donkere snavel en ook de poten zijn donker en enigszins bruinachtig gekleurd. De keel en borst zijn lichtgrijs gekleurd. De bovenstaartdekveren en stuit zijn per exemplaar meer of minder rossig gekleurd en verschillen in kleur met de mantel.

Rietzangermannetjes zingen vaak al heel vroeg in de ochtend vanaf een prominente zangpost zoals een rietstengel of struik. Ook in de avond kunnen de mannetjes nog lang zingen. Die zang is zeer gevarieerd en wild met een combinatie van krassende en klikkende geluiden afgewisseld met fluittonen. Het is een meesterimitator en doet met zijn gevarieerde zang veel andere vogels na. Tijdens de zang kan een mannetje korte steile zang- of baltsvluchten maken en als hij dan weer neerdaalt verdwijnt hij direct uit het zicht in het dichte riet. Hij leeft daar goed verborgen waar hij heel behendig met zijn springerige gedrag soepel van rietstengel naar rietstengel beweegt. Een rietzanger verdedigt zijn territorium fanatiek, niet alleen met zijn zang maar ook met een dreigende houding naar andere mannetjes toe. Het nestje wordt vlak boven de natte grond of water gebouwd van gras, bladeren en rietstengels en wordt stevig verankerd tussen planten- en rietstengels.

De rietzanger is vaak slachtoffer van de koekoek en als waardvogel wordt gebruikt. De koekoek legt dan een ei in het nest van de rietzanger die het ei vervolgens uitbroedt en het jong grootbrengt. 

Een rietzanger is een langeafstandstrekker die jaarlijks duizenden kilometers tussen de overwintereringsplekken in West-Afrika en de broedgebieden in Europa vliegt.

8. (5 mei 2025) Temmicks strandloper: Een van de minst opvallende steltlopers is de Temmincks strandloper. Dit komt door zijn geringe grootte, maar ook onopvallende kleed en onopvallende gedrag. Ze 'kruipen' haast laag over schaars begroeide moddervlaktes met kleine schokkende bewegingen. Doorgaans zijn ze alleen of in kleine groepjes samen met andere steltlopers aan te treffen. Als een van de weinige steltlopers heeft hij gelige poten in plaats van zwart. Een kleinere strandloper die op moddervlaktes vaak tussen lage begroeiing foerageert op muisachtige, sluipende manier. Kop en borstband bruingrijs, poten geel en staartzijdes wit. In het voorjaar vaak in zomerkleed, waarbij zwarte veren met oranje rand weinig opvallen boven grijzige dekveren en slagpennen. In het najaar vaak onvolwassen vogels met een meer egaal grijsbruin uiterlijk en donkerdere borstband.

Temmicks strandloper: Een van de minst opvallende steltlopers is de Temmincks strandloper. Dit komt door zijn geringe grootte, maar ook onopvallende kleed en onopvallende gedrag. Ze 'kruipen' haast laag over schaars begroeide moddervlaktes met kleine schokkende bewegingen. Doorgaans zijn ze alleen of in kleine groepjes samen met andere steltlopers aan te treffen.

Broedt op toendra, in Nederland vaak in het binnenland dan wel bij zoet water, langs oevers en slikranden, en op plasdrasgebieden. Niet op het wad. Broedt in mei - juni in arctisch gebied, en in Scandinavië zuidelijk bijna in geheel Noorwegen tot Oslo. Nest is niet veel meer dan enkele blaadjes en twijgjes in kuiltje op de grond. Eén of twee legsels per jaar met 3 à 4 eieren. Broedduur 21 - 22 dagen en daarna nog 15 - 18 dagen voordat de jongen kunnen vliegen. Als voedsel eet ie kleine insectjes van het wateroppervlak of het slik/ de modder, zoals muggenlarven.

Trekt al vanaf eind juni weg uit broedgebied, aankomst in Noord-Afrika eind juli en vanaf oktober in de tropen. In Nederland in juli, augustus en begin september te zien, maar met name op terugtrek in het voorjaar eind april en mei. Foerageert vaak alleen, maar trekt in kleine groepen tot 150 - 250 individuen.

9. (5 mei 2025): De putter, ook bekend als de distelvink, is een prachtige vogelsoort die veel voorkomt in Nederland. Deze vogels staan bekend om hun kleurrijke verenkleed en unieke gedrag

Putters zijn vaak te vinden in verschillende habitats in Nederland, waaronder tuinen, parken, en open velden. Ze geven de voorkeur aan gebieden met veel distels, omdat deze planten een belangrijk onderdeel vormen van hun dieet. De putter staat bekend om zijn sociale gedrag. Ze leven vaak in kleine groepen en communiceren met elkaar door middel van zachte zang en roepgeluiden. Deze vogels zijn ook bekend om hun acrobatische vliegkunsten.

Putters zijn een beschermde vogelsoort in Nederland. Het is belangrijk om hun habitat te behouden en te zorgen voor voldoende voedselbronnen, zoals distels, om hun populatie te ondersteunen. 

De Kop van Noord Holland in bloei!  Van zaterdag 19 april t/m woensdag 23 april 2025 stond Anna Paulowna en omgeving weer volop in bloei in verband met de 70e editie van de Bloemendagen. In de hele polder zijn tijdens de Bloemendagen mozaïeken, bewegende werkstukken, versierde straten en bruggen te bewonderen.

10. (18 augustus 2025) Grutto: De grutto is een grote, slanke steltloper (lengte 37-42 cm) met een lange (9-12 cm), vrijwel rechte snavel, een relatief kleine kop en lange poten. In de zomer heeft hij een kastanjebruine kop, hals en borst; in de winter is hij bijna geheel lichtgrijs. In de vlucht is hij herkenbaar aan de zwart met witte staart en witte vleugelstreep.

Onze broedvogels overwinteren langs de West-Afrikaanse kusten en op het Iberisch Schiereiland. Tussen half februari en half maart keren ze weer terug.

Onze broedvogels maken deel uit van de West Europese/Noordwest- en West-Afrikaanse flyway-populatie. Van deze populatie vindt in
Nederland weinig doortrek plaats van broedvogels van buiten Nederland, omdat het overgrote deel in Nederland zelf broedt. In de winter en doortrekperiode treffen we soms ook IJslandse grutto’s aan. Dit zijn vogels van de ondersoort, die vooral op IJsland broeden.

In Nederland wordt vrijwel uitsluitend in open agrarische, bij voorkeur extensief gebruikte graslanden gebroed. Tot ver in de vorige eeuw nestelden grutto’s ook in natte heidevelden, hoogveengebieden en beekdalen, vaak koloniegewijs. 

Na aankomst uit de overwinteringsgebieden, in februari - maart, moeten grutto’s eerst opvetten op vochtige plekken, waar wormen niet te diep
in de grond zitten en in ondiep water muggenlarven worden gegeten. Grutto’s zijn dan te vinden in natte natuurgebieden, het liefst vochtig grasland met plasdras, open wetlands, maar ook plasdras in agrarisch gebied, waar gezamenlijk wordt gefoerageerd en gerust.
Grutto’s verblijven hier tot ongeveer een week voor de eileg. Tijdens het broedseizoen is kruidenrijk grasland van groot belang: langer gras met een open structuur en veel bloemen en kruiden. Er zijn voldoende schuilmogelijkheden voor kuikens, de vegetatie is niet te dicht zodat kuikens zich er goed doorheen kunnen bewegen en deze percelen worden over het algemeen pas laat gemaaid.

Grutto’s broeden semi-koloniaal, bij voorkeur in de directe nabijheid van soortgenoten in verband met het opmerken en verjagen van predatoren. Het nest wordt het liefst gemaakt in kruidenrijk en bloemrijk grasland met een hoge waterstand. Het nest bestaat uit een ondiep kuiltje waarin
meestal 3-4 eieren worden gelegd. De eileg vindt plaats van begin april tot eind mei, met een piek in tweede helft april. Het mannetje en vrouwtje wisselen het broeden af. 

11. (18 augustus 2025) Brandgans:  Vroeger had men geen idee waar de brandganzen werden geboren en zo ontstond de mythe dat ze uit een eendenmossel tevoorschijn kwamen (vandaar de Engelse naam ‘barnacle goose’). De Nederlandse naam brandgans komt vermoedelijk doordat de hals wat weg heeft van een verkoold stuk hout.

58-70 cm. Middelgrote gans met kenmerkend zwart, wit en grijs verenkleed; gezicht en voorhoofd roomwit, met onregelmatige zwarte streep van snavel tot oog. Bovendelen blauwgrijs met zwartachtige bandering met witte veerrandjes. Onderdelen bleek grijs, onderstaartdekveren wit, flanken sterk bruingrijs gebandeerd. Poten en kleine snavel zwart. Juveniel met sterker gebandeerde flanken, wit op kop met donkere tint, zwarte teugel smaller dan bij adult.

Broedt op Spitsbergen, Nova Zembla en Groenland. Broedvogels in IJsland en Nederland stammen af van ingevoerde vogels. In Nederland vrij talrijke broedvogel, jaarrond aanwezig, wintergast in zeer groot aantal.

Brandganzen komen voor op akkers, graslanden, intergetijdenzone, kust, moeras, oevers, rivieren, wadden, weilanden, eilanden in het rivierengebied en in laagveengebieden. Brandganzen broeden in Nederland op een aantal vreemde plaatsen, waaronder nauwelijks begroeide eilanden.

In broedgebieden eten ze voornamelijk grassen, zeggen, bladeren en jonge loten. ’s Winters voornamelijk bladeren, grassen, uitlopers en zaden.

Aantal eieren in legsel 3-5, soms 6. Elliptisch tot buikig. Niet glanzend met lichte korrelige structuur. Crème-achtig wit.

12. ( 5 oktober 2025) Tureluur: De tureluur is een weidevogel die je vaak herkent aan de typische zich eindeloos herhalende ‘tureluur’ roep. Ze broeden in weidevogelgebieden en overwinteren met name in het kust- en waddengebied. Tureluurs zijn echte weidevogels die naast de weides en dan vooral buiten het broedseizoen, een voorkeur hebben voor een natte omgeving. Je ziet ze daarom ook vaak aan oevers van ondiepe plassen of op drooggevallen slikjes foerageren. Een tureluur is een middelgrote steltloper met helder oranjerode poten en een heel herkenbaar geluid. Ze laten regelmatig hun roep tjululu, tjululu horen en ze roepen ook tijdens hun vlucht. Als de tureluur landt, steekt hij zijn vleugels kaarsrecht omhoog en is daardoor vaak op afstand al te herkennen. En net als alle steltlopers legt een tureluur vier eieren die na 24 of 25 dagen uitkomen. De jonge vogels zijn nestvlieders wat wil zeggen dat ze vanaf dat moment voor zichzelf kunnen zorgen.

Een tureluur heeft een sterk variabel verenkleed wat kan variëren van een lichte tot een hele donkere vorm. Het variabele verenkleed zowel in de lichte of donkere vorm behoudt de tureluur het hele jaar. De bovendelen hebben zwarte getekende veren die in de winter naar zwak getekende veren verkleuren. De borst gaat van enigszins rommelig gestreept over naar V-vormige vlekken op de buik en flank. In de winter zijn deze lichaamsdelen veel zwakker getekend en ogen wat valer dan in het voorjaar en zomer. De snavelbasis is zowel op de boven- als ondersnavel kenmerkend oranje gekleurd. Vanaf de basis van de snavel naar de punt toe wordt de snavel zwart. Met name het bovendek is in de winter vrijwel zonder tekening en oogt vrijwel egaal grijsbruin. Sommige exemplaren zijn zelfs egaal grijsbruin. De tureluur blijft in de winter goed herkenbaar door de oranje snavelbasis en oranjerode poten. De onderstaartveren blijven in de winter gebandeerd.rt. 

Als de tureluur landt, steekt hij beide vleugels kaarsrecht omhoog wat hem op zelfs op een flinke afstand goed herkenbaar maakt. De vrijwel witte ondervleugel en oksels vallen daardoor goed op.

Tureluurs leven met name in het westelijke deel van ons land en broeden in de lage delen van het land waar het over het algemeen wat vochtiger is. Ze hebben een voorkeur voor polders met veel sloten en kruidenrijke graslanden. Ook al zijn tureluurs territoriaal, ze kunnen toch redelijk dicht bij elkaar broeden. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes broeden het legsel uit. Als er gevaar dreigt en het nest bedreigd wordt kan de tureluur fel reageren en luidruchtig rondvliegen. Door de intensivering van de landbouw neemt het aantal tureluurs wel af en is de soort bedreigt en staat op de rode lijst.

Een broedende tureluur kan zich in een weide perfect verbergen en zelfs grassprieten over zich heen trekken om zo volledig uit het zicht te onttrekken. Een tureluur kan zelfs schijnaanvallen uitvoeren als het nest bedreigt wordt. Hij belaagt ook mensen die te dicht bij het nest komen.

De Blauwborst is een fotogenieke vogel die vooral in moerasachtige terreinen met riet en zachthoutsoorten gevonden kan worden. Ondanks zijn opvallende verschijning is hij nog niet zo eenvoudig te vinden als je zijn kenmerkende zang niet kent. Van de trekvogels is het een van de eerste zangvogelsoorten die eind maart weer uit Afrika terugkeert.

13. (6 april 2026) Blauwborst:  Het eerste wat opvalt aan de Blauwborst is de blauwe borst, tenminste als je het geluk hebt hem van voren te zien. Het is een slanke kleine vogel met een duidelijke witte oogstreep en een roestkleurige staart met brede zwarte eindband. Deze staart wordt vaak gespreid en opgewipt bij de balts. De rug en dekveren zijn grijsbruin, de keel en borst zijn blauw, afgezet met een zwarte rand. Daaronder loopt weer een roestrode band en de buik is licht van kleur. Noord Europese vogels hebben een roestrode vlek midden in de blauwe keel en midden Europese vogels een witte. We spreken dan van de roodgesternde Blauwborst en de witgesternde Blauwborst. Hun zang moet op gang komen, daarna hoor je een stortvloed van tonen. Zingt vaak vanaf een opvallende zangpost. Het vrouwtje heeft geen blauwe borst, maar een u-vormig donker 'halssnoer'rond de witte keel. Ze is verder onopvallend gekleurd.

De Blauwborst is een vogel van vochtig terrein, zoals broekbos en moerasgebieden. Komt vaak voor in de buurt van water met langs de kant elzen, wilgen en riet. Ook langs de kust op schorren.

Het voedsel bestaat uit insecten en hun larven, spinnetjes en slakjes, ze worden van de grond en van lage struiken afgehaald. In de herfst schakelt hij over op bessen en zaden.

Nestelt op de grond op een goed verborgen plekje, zoals onder de struiken. Er worden vijf tot zes eieren uitgebroed door beide ouders. De broedduur is twee weken en de kuikens blijven ook twee weken in het nest en worden door beide ouders gevoerd. De kuikens zijn bruin gespikkeld als een jonge Roodborst, maar hebben al wel de roestbruine staart met zwarte eindband.

Bij ons zomergast, overwintert in Afrika en Azië. Is de laatst jaren sterk toegenomen en is van de rode lijst gehaald. 11.000 - 14.000 broedparen in Nederland (dit was 900 in 1975!).